NL8303718A - Inrichting voor het magnetisch optekenen en/of weergeven. - Google Patents
Inrichting voor het magnetisch optekenen en/of weergeven. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8303718A NL8303718A NL8303718A NL8303718A NL8303718A NL 8303718 A NL8303718 A NL 8303718A NL 8303718 A NL8303718 A NL 8303718A NL 8303718 A NL8303718 A NL 8303718A NL 8303718 A NL8303718 A NL 8303718A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- tape
- guide
- plane
- angle
- belt
- Prior art date
Links
Classifications
-
- G—PHYSICS
- G11—INFORMATION STORAGE
- G11B—INFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
- G11B15/00—Driving, starting or stopping record carriers of filamentary or web form; Driving both such record carriers and heads; Guiding such record carriers or containers therefor; Control thereof; Control of operating function
- G11B15/60—Guiding record carrier
- G11B15/66—Threading; Loading; Automatic self-loading
-
- G—PHYSICS
- G11—INFORMATION STORAGE
- G11B—INFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
- G11B5/00—Recording by magnetisation or demagnetisation of a record carrier; Reproducing by magnetic means; Record carriers therefor
- G11B5/48—Disposition or mounting of heads or head supports relative to record carriers ; arrangements of heads, e.g. for scanning the record carrier to increase the relative speed
- G11B5/488—Disposition of heads
- G11B5/4893—Disposition of heads relative to moving tape
-
- G—PHYSICS
- G11—INFORMATION STORAGE
- G11B—INFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
- G11B15/00—Driving, starting or stopping record carriers of filamentary or web form; Driving both such record carriers and heads; Guiding such record carriers or containers therefor; Control thereof; Control of operating function
- G11B15/60—Guiding record carrier
- G11B15/61—Guiding record carrier on drum, e.g. drum containing rotating heads
-
- G—PHYSICS
- G11—INFORMATION STORAGE
- G11B—INFORMATION STORAGE BASED ON RELATIVE MOVEMENT BETWEEN RECORD CARRIER AND TRANSDUCER
- G11B15/00—Driving, starting or stopping record carriers of filamentary or web form; Driving both such record carriers and heads; Guiding such record carriers or containers therefor; Control thereof; Control of operating function
- G11B15/60—Guiding record carrier
- G11B15/66—Threading; Loading; Automatic self-loading
- G11B15/665—Threading; Loading; Automatic self-loading by extracting loop of record carrier from container
- G11B15/6653—Threading; Loading; Automatic self-loading by extracting loop of record carrier from container to pull the record carrier against drum
Landscapes
- Recording Or Reproducing By Magnetic Means (AREA)
- Registering, Tensioning, Guiding Webs, And Rollers Therefor (AREA)
- Adjustment Of The Magnetic Head Position Track Following On Tapes (AREA)
- Magnetic Record Carriers (AREA)
- Television Signal Processing For Recording (AREA)
Description
1^. ΐ
- 1 -S
Inrichting voor het magnetisch qptékenen en/of weergeven.
De uitvinding heeft in het algemeen betrekking op een inrichting voor het magnetisch optekenen en/of weergeven met schroeflijn vormige aftasting, en meer in het bijzonder qp een inrichting voor het magnetisch optekenen en/of weergeven, waarvan de grootte in be-5 langrijke mate kan worden verkleind.
Tegenwoordig bestaat er een aantal genormaliseerde stelsel voor inrichtingen voor het optékenen op videoband. Het patroon videosporen, een geluidspoor en een stuurspoor op een magneetband, de plaats van een stuurkqp e.d. zijn in elk dezer stelsels genormaliseerd.
10 Aan de andere kant bestaat er een recente ontwikkeling voor het verkleinen van de grootte van de inrichting voor het qptekenen op videoband door het verenigbaar houden van de magneetband met de bestaande inrichtingen voor het optekenen op videoband, dat wil zeggen zonder het patroon videosporen e.d. qp de magneetband te veranderen.
15 Als één werkwijze voor het verkleinen van de grootte van de inrichting voor het optekenen op een videoband, waarbij toch is voldaan aan de hiervoor beschreven voorwaarden, is een werkwijze bekend voor het vergroten van het aantal videokqppen, het verkleinen van de diameter van een bandleitrommel en het vergroten van het hoekbereik, 20 waarover de magneetband is geslagen om de leitrommel. Er bestaat bijvoorbeeld een werkwijze voor het verschaffen van vier videokoppen op onderlinge afstanden van 90°, het verkleinen van de diameter van de leitrommel tot 2/3 van de diameter van de bestaande leitrommel en het slaan van de magneetband om de leitrommel over een hoekbereik van on-25 geveer 270° in plaats van het hoekbereik van ongeveer 180°, dat wordt gebruikt in de bestaande inrichting voor het optekenen op videoband.
In dit geval zijn de vier videokoppen geschakeld om werkzaam te zijn o met een interval van 270 . Volgens deze werkwijze worden de videosporen op de magneetband gevormd met een patroon, dat hetzelfde is als 8303715 - 2 - J ï het patroon, dat in overeenstemming is met de bestaande normen, en wordt de verenigbaarheid van de magneetband behouden. Bovendien kan de inrichting voor het optekenen op videoband in grootte worden verkleind als gevolg van de in grootte verkleinde leitrommel.
5 Als een werkwijze voor het slaan van de magneetband om de leitrommel over het hoekbereik van ongeveer 270°, kan worden overwogen het bestaande bandlaadstelsel te gebruiken voor het slaan van de magneetband om de leitrommel over het hoekbereik van ongeveer 180°. In dit geval moeten laadstangen over een grotere afstand bewegen voor het 10 slaan van de magneetband om het hoekbereik van ongeveer 270°. Bovendien moet de leitrommel over ongeveer 40° schuin staan, hetgeen een grote hoek is in vergelijking met de schuine stand van de bestaande leitrommel. Verder moeten de bandleistangen, die zich respectievelijk bevinden op plaatsen, waar de magneetband in aanraking komt met de leitrom-15 mei en deze verlaat, onder een hoek van 70° schuin staan, hetgeen een grote hoek is in vergelijking met de schuine stand van de leistangen in het bestaande bandlaadstelsel. Het is dus onpraktisch het bestaande bandlaadstelsel te gebruiken voor het slaan van de magneetband om de leitrommel over het hoekbereik van ongeveer 270°.
20 Verschillende inrichtingen zijn ontworpen voor de bandlei stangen, waarbij de magneetband wordt geslagen om de leitrommel over het hoekbereik van ongeveer 270°, en de schuine stand van de leitrommel gelijk wordt gehouden aan de schuine stand van de bestaande leitrommel door rekening te houden met de mogelijkheid van het verwezen-25 lijken van een automatisch bandlaadbedrijf met deze inrichtingen. Het aantal leistangen, dat is aangebracht op de plaatsen, waar de magneetband in aanraking komt met de leitrommel en deze verlaat, is in het algemeen echter groot. Bovendien zijn de leistangen cp betrekkelijke afstand van de leitrommel aangebracht. Hoewel derhalve de leitrommel 30 zelf in grootte kan worden verkleind, wordt het bandlaadmechanisme ingewikkeld, omdat een groot aantal leistangen gescheiden van de leitrommel langs de omtrek daarvan is aangebracht. Als gevolg is het moeilijk het automatisch laden van de magneetband te verwezenlijken. Verder is er het nadeel, dat niet de gehele inrichting overeenkomstig 35 de verkleinde leitrommel in grootte kan worden verkleind.
8303718 - 3 - *« *
Het is derhalve een algemeen doel van de uitvinding een inrichting voor het magnetisch optekenen en/of weergeven te verschaffen, waarbij de hiervoor beschreven nadelen zijn qpgeheven.
Een ander en gedetailleerder doel is het verschaffen van 5 een inrichting voor het magnetisch optekenen en/of weergeven, die zodanig is ontworpen, dat een klein aantal bandlei-organen betrekkelijk dicht-bij een bandleitrommel is aangebracht, een magneetband om de bandlei trommel is geslagen over een hoekbereik van ongeveer 270°, en de magneetband, die de bandleitrommel verlaat, wordt geladen pp een 10 bandloopbaan, die loodrecht staat cp een vergelijkingsvlak, en waarvan de hartlijn evenwijdig is met het verge lijkingsvlak. Deze inrichting kan in grootte zijn verkleind, en het is mogelijk het automatisch laden van de magneetband uit te voeren.
De uitvinding wordt nader toegelicht aan de hand van de 15 tekening, waarin: fig. 1 een bovenaanzicht is van één uitvoeringsvorm van de inrichting, fig. 2 een zij-aanzicht is van de inrichting volgens fig.1, fig. 3 een sporenpatroon toont op een magneetband, gevormd 20 door de in fig. 1 weergegeven inrichting, fig. 4 een bovenaanzicht is cp grotere schaal van de kleine bandleitrommel en een aantal bandlei-organen, dat langs de omtrek van de kleine bandleitrommel is aangebracht in de in fig. 1 weergegeven inrichting, 25 fig. 5 een aanzicht is in de richting van de pijl V in fig. 4, fig. 6 een bovenaanzicht is, dat de plaatsing, de hellings-richting en de hellingshoek toont van het aantal bandlei-organen, aangebracht volgens de omtrek van de kleine leitrommel, 30 fig· 7 schematisch het bandleibedrijf verduidelijkt van de in fig. 4 weergegeven bandleiorganen, fig. 8 schematisch de bandleitoestand als gevolg van de in fig. 7 weergegeven bandlei-organen geometrisch uiteenzet, en fig. 9 cp grotere schaal een deel toont van fig. 8.
35 In de in de fig. 1 en 2 weergegeven uitvoeringsvorm van de 8303718 > . * - 4 - inrichting 10 voor het magnetisch op tekenen en/of weergeven, is een miniatuurbandcassette 11 geladen op een plaats dichtbij een kleine bandleitrommel 12. Zoals hierna wordt beschreven, is ook een groep bandleistangen aangebracht op plaatsen dichtbij de leitrommel 12.
5 Derhalve is de inrichting 10 in grootte aanzienlijk verkleind in vergelijking met een gebruikelijke inrichting.
De leitrommel 12 bestaat uit een draaitrommel en een vaste trommel, die concentrisch zijn aangebracht. Vier videokoppen H -H zijn 1 4
O
op onderlinge afstanden van 90 aangebracht aan de draaitrommel. De 10 diameter d van de leitrommel 12 is bijvoorbeeld gelijk aan 41,3 mm, hetgeen 2/3 is van de diameter van een bestaande leitrommel. De videokoppen Hj-H^ draaien linksom met een draaisnelheid van 0,75 Hz, hetgeen 3/2 is van de draaisnelheid in een bestaand stelsel. De spoorbreedten van de videokoppen H^-H^ zijn gelijk, waarbij de spoorbreed-15 te bijvoorbeeld gelijk is gekozen aan de spoorafstand voor het optekenen. Bovendien hebben de videokoppen en tussenruimten met dezelfde azimud hoek, en de videokoppen H„ en H tussenruimten met dezelfde azimud hoek. Verder hebben de videokoppen en tussenruimten met onderling verschillende azimud hoeken. Een magneetband 13 is geslagen 20 om de leitrommel 12 over een hoekbereik van 280°, hetgeen het hoekbe-reik van 180°, gebruikt in een bestaand stelsel, overschrijdt.
Telkens wanneer de videokoppen H^-H^ draaien over een hoek van 270°, wordt een videosignaal schakelbaar en geleverd aan de videokop, die voorloopt op de overige drie videokoppen met betrekking tot 25 de draairichting van de videokoppen Dat wil zeggen, dat elk der videokoppen H^-H^ opeenvolgend wordt geschakeld om werkzaam te zijn tijdens het draaien in aanraking met de band 13, die is geslagen om de leitrommel 12. Dienovereenkomstig worden videosporen t^ (tgj-t aangrenzend gevormd op de band 13, zoals weergegeven in fig. 3. Het video-2° spoor t^ (t^). wordt gevormd wanneer de videokop aftast, waarbij het videospoor tg wordt gevormd wanneer de videokop aftast, het video spoor tg wordt gevormd wanneer de videokop aftast en het videospoor t^ wordt gevormd wanneer de videokop aftast. Het patroon van de in fig. 3 weergegeven videosporen is hetzelfde als het patroon van de vi- 35 deosporen in een bestaand stelsel. De band 13, waarop het videosignaal 8303718 * - * - 5 - in de inrichting 10 is opgetekend, kan qp een gebruikelijke wijze in een bestaande inrichting ook worden weergegeven. Bovendien kan de inrichting 10 ook op een gebruikelijke wijze de band 13 weergeven, waarop het videosignaal in een bestaande inrichting is opgetekend. Er is 5 dus een volledige verenigbaarheid van de magneetband tussen de inrichting 10 en een bestaande inrichting. De miniatuurbandcassette 11 heeft een uitwendige vorm en afmeting, die kleiner zijn dan van de gebruikelijke bandcassette. De bandcassette 11 bestaat uit een cassettehuis 16, dat een afwikkelspoel 14, een opwikkeIspoe1 15 en een deksel 17 10 heeft, dat is voorzien aan de voorzijde van het cassettehuis 16. De bandcassette 11 wordt in de inrichting geladen in een toestand, waarin het deksel 17 open is door te zijn gedraaid rond een pen 18 naar een horizontale stand. Deze bandcassette 11 is gedetailleerd beschreven in de Nederlandse octrooi-aanvrage 8105293.
15 Zoals hierna wordt beschreven, is de leitrommel 12 gemon teerd op een hoogte, die iets lager ligt dan de hoogte van een bestaande leitrommel. Derhalve neemt het open deksel 17 van de geladen bandcassette 11 een hoogte in, die iets hoger ligt dan een bovenoppervlak 12a van de leitrommel 12. De geladen bandcassette 11 is dus betrekke-20 lijk dichtbij de leitrommel 12 geplaatst in een toestand, waarin het open deksel 17 is gescheiden van het bovenoppervlak 12a van de leitrommel 12, en een deel van het deksel 17 over een gedeelte van het bovenoppervlak 12a heen hangt, zoals te zien in fig. 2. Wanneer de bandcassette 11 is geladen, gaan een bandleirol 19, een bandleistang 25 20, een spanstang 21, een bandleistang 22, een bandleirol 23, een kaapstander 24 e.d. binnen in uitsnijdingen 16a, 16b en 16c, die zijn gevormd in de voorzijde van het cassettehuis 16. De bandcassette 11 wordt geladen in een horizontale stand, die evenwijdig is met een vergelijkingsvlak S . Dit vergelijkingsvlak S is het X-Y-vlak in een o o 30 X-Y-Z-coördinatenstelsel, dat hierna wordt beschreven, waarbij Z * 0.
Een vlak (evenwijdig met het vergelijkingsvlak S ) , dat in deze gela- o den toestand de hartlijn bevat van de band 13 in het cassettehuis 16, wordt het vergelijkingsvlak P met betrekking tot de handbeweging.
Wanneer het op tekenen of weergeven wordt uitgevoerd, wordt 35 een bandlaadmechanisme (niet weergegeven) bedreven, en bewegen de lei- - - -- — - - _ 8303718 V* - 6 - stang 20 en de leirol 19 volgens een geometrische plaats in een horizontaal vlak. Bovendien bewegen de leistang 22 en de leirol 23 volgens een geometrische plaats L2 onder het gelijktijdig naar beneden bewegen. De leistangen 20 en 22 en de leirollen 19 en 23 bewegen naar 5 eindstanden, die in fig. 1 door getrokken lijnen zijn aangegeven. Als gevolg wordt de band 13 uit het cassettehuis 16 naar buiten getrokken en geladen op een voorafbepaaide bandbaan. Dat wil zeggen, dat de band 13 van de afwikkelspoe 1 14 wordt getrokken en in aanraking komt met de spanstang 21, een leis tang 25, een wiskqp 26 over de gehele breedte, 10 een impedantierol 29 en de leirol 19. De bewegingsrichting van de band 13 wordt bij de leirol 19 over ongeveer 90° veranderd. De band 13 wordt spiraalvormig om de leitrommel 12 geslagen en komt in aanraking met het omtreksoppervlak van deleitrommel 12 over een hoekbereik van ongeveer 280° tussen de leistangen 20 en 22. Wanneer de band 13 15 beweegt in aanraking met de leitrommel 12, draait één videokop over 270° voor het vormen van een spoor op de band 13. Het op tekenen of weergeven van het videosignaal met betrekking tot één spoor, wordt uitgevoerd wanneer één videokop draait over 270°.
1 De bewegingsrichting van de band 13 wordt bij de leirol o 20 23 over ongeveer 180 veranderd en geleid naar rechts beneden in fig.1.
De band 13 wordt draana geleid door een lei stang 28 en een vertikale leis tang 29 en komt in aanraking met een hoor- en stuurkop 30. De band 13 wordt verder geleid door een leistang 31 en een samenstel van een klemrol 32 en de kaapstander 24. De band 13 gaat dan het cassettehuis 25 16 binnen en wordt tenslotte gewikkeld op de qpwikkelspoel 15. De lei stang 20, die zich bevindt aan de zijde waar de band 13 in aanraking komt met de leitrommel 12 ten opzichte van de bewegingsrichting van de band, beweegt slechts naar een stand iets voorbij het deel van de leitrommel 12, dat zich het verst naar links in fig. 1 uitstrekt. Aan 30 de andere kant beweegt de leistang 22, die zich bevindt aan de zijde waar de band 13 de leitrommel 12 verlaat, voorbij een deel van de leitrommel 12, dat-zich het verst naar rechts uitstrekt, door het o draaien langs de leitrommel 12 over ongeveer 90 vanaf dit deel van de leitrommel 12. Dat wil zeggen dat de leistang 22 een stand bereikt 35 aan de achterzijde van de leitrommel 12. De band 13 verlaat derhalve 8303718 % .....
-T s - 7 - de leitrommel 12 aan de achterzijde van de leitrommel 12, met andere woorden qp een plaats op afstand van de bandcassette 11, Derhalve kan de lengte van de band in de bandbaan, die zich uitstrekt vanaf de plaats, waar de band 13 de leitrommel 12 verlaat, naar de plaats, waar 5 de band 13 wordt gewikkeld qp de opwikkelspoel 15, qp een grote waarde worden ingesteld. Een bandlengte LQ in de enkelvoudige bandbaan, die zuch uitstrekt van de plaats, waar de band 13 de leitrommel 12 verlaat, naar de plaats van de stuurkop 30, kan worden ingesteld op een voorafbepaalde waarde ( 79,244 mm) zonder de bandbaan onnodig ingewik-10 keld te maken voor het verkrijgen van deze voorafbepaalde waarde. Als gevolg is de verenigbaarheid van de band 13 tussen de inrichting 10 en een bestaande inrichting zelfs verzekerd met betrekking tot de plaats van de stuurkop 30.
Vervolgens wordt de bandbaan langs de omtrek van de lei-15 trommel 12 aan de hand van de fig. 4 en 5 beschreven. Fig. 5 toont de plaatsen en hellingstoestanden van de leistangen, gezien in de richting van de pijl V in fig. 4. In fig. 5 duidt een lijn 33 de hartlijn van de band 13 aan. In de in fig. 1 weergegeven bandbaan, is de bandbaan, die zich uitstrekt vanaf de afwikkelspoel 14 naar de leistang 20 20 (eerste bandlei-orgaan) weergegeven als bandbaan 34A. De bandbaan, die zich uitstrekt vanaf de leistang 28 (vierde bandlei-orgaan) naar de opwikkelspoel 15 is weergegeven als de bandbaan 34B. In de bandba-nen 34A en 34B beweegt de band 13 in een toestand, waarin de hartlijn van de band 13 in het vlak P ligt, weergegeven in fig. 5, en evenwij-25 dig is met het vergelijkingsvlak Sq, en staat de band 13 loodrecht op dit vergelijkingsvlak S^. De hartlijn van de band 13 ligt in het vlak P in de bandcassette 11. De bandbaan langs de omtrek van de leitrommel 12 tussen de leistang 20 en de leistang 22 (tweede bandlei-orgaan), waarin de band 13 in aanraking is met de leitrommel 12, is in fig. 1 30 weergegeven als de bandbaan 34C. De bandbaan 34C komt overeen met een gedeelte tussen de punten A en G qp de in fig. 5 weergegeven hartlijn 33. De bandbaan 34C loopt geleidelijk schuin naar beneden vanaf het vlak P naar de bandbewegingsrichting. De bandbaan tussen de leirol 23 (derde bandlei-orgaan) en de leistang 28 (vierde bandlei-orgaan) is in 35 fig. 1 weergegeven als de bandbaan 34D. Deze bandbaan komt overeen met 8303718 - 8 - *
een gedeelte tussen de punten T en L op de in fig. 5 weergegeven hartlijn 33. De bandbaand 34D helt schuin naar boven op een in hoofdzaak rechtlijnige wijze naar de bandbewegingsrichting, zodat de band-baan tenslotte wordt hersteld tot de bandbaan, waarin de hartlijn 33 5 van de band 13 samenvalt met het vlak P. De bandbaan 34D is evenwijdig met een hellend vlak S^, dat hierna wordt beschreven. In de bandbaan 34c langs de omtrek van de leitrommel 12, loopt de hartlijn 33 van de band 13 langs het punt D, dat zich op een afstand ΔΖ onder het vlak P bevindt. De hartlijn 33 van de band 13, die zich in de band-10 baan 34C bevindt, snijdt het Y-Z-vlak in het punt D. De band 13 beweegt naar beneden in de bandbaan 34C en komt in aanraking met de leitrommel 12 onder het vlak P. De afstand h tussen het vlak P en het bovenoppervlak 12a van de leitrommel 12 kan dus worden ingesteld op een kleine waarde in vergelijking met de overeenkomstige afstand in 15 een bestaande inrichting. Dat wil zeggen, dat de hoogte van het bovenoppervlak 12a van de leitrommel 12 laag is met betrekking tot de geladen bandcassette 11. Als gevolg is het bovenoppervlak 12a van de leitrommel 12 lager dan het bodemopper vlak van het open deksel 17 van de geladen bandcassette 11. In deze toestand hangt een deel van het open 20 deksel 17 heen over een deel van het bovenoppervlak 12a van de leitrommel 12. De bandcassette 11 kan dus worden geladen op een plaats, die zich bijzonder dicht bij de leitrommel 12 bevindt. Derhalve kan de hoogte van de inrichting 10 als geheel klein worden gemaakt, hetgeen het verkleinen van de inrichting 10 bevordert. Het voorste opper-25 vlak van de bandcassette 11 is niet evenwijdig met de hellingsrichting X-X van de leitrommel 12. De bandcassette 11 wordt met andere woorden geladen in een toestand, die gewild schuin staat over een hoek K
O
(ongeveer 30 ) ten opzichte van de X-as. De leitrommel 12, het band-leistelsel, de vaste koppen e.d. zijn alle gemonteerd tussen vlakken 30 en S^, die zich respectievelijk uitstrekken vanaf de rechter en" linkerzijoppervlakken van de bandcassette 11. Door het gebruiken van deze uitvoering, kan de inrichting 10 verder worden verkleind in ver-‘ gelijking met het geval, nabij de bandcassette 11 wordt geladen in de toestand evenwijdig met de hellingsrichting van de leitrommel 12.
35 De plaatsen, hellingsrichtingen, hellingshoeken e.d. van 8303718 * * - 9 - elk der bandleiorganen, die de bandbanen bepalen langs de omtrek van de leitrommel 12, zijn, zoals hierna wordt beschreven, ingesteld om te voldoen aan verschillende voorwaarden. De verschillende voorwaarden omvatten de voorwaarden, dat de inrichting 10 in grootte kan worden 5 verkleind, het automatisch laden van de band 13 mogelijk is, de spanning in de band 13 in de breedterichting regelmatig is tussen naburige bandlei-organen, aangebracht langs de bandbewegingsrichting e.d.
Bij het instellen van de voomoemde bandbanen, wordt de bandbaan, waarin de band 13 in aanraking komt met de leitrommel 12, in hoofd-10 zaak cp dezelfde wijze ingesteld als de bandbaan in een bestaande inrichting, waarin de band in aanraking komt met de leitrommel om te o worden geslagen om de leitrommel over het hoekbereik van 180 . De hel-lingsrichting, de hellingshoek e.d. van de leistang 20 (eerste lei -orgaan) worden ingesteld door het gebruiken van een gebruikelijke 15 ontwerpwerkwijze.
Vervolgens worden aan de hand van de fig. 6-9 de hellings-richting, de hellingshoek, de plaats en het bedrijf van elk der bandlei-organen beschreven.
De leitrommel 12 staat schuin onder een hoek α (ongeveer 20 6°) in de -X richting met betrekking tot de vertikale as Z. De leirol 19, die zich aan de stroomcpwaartse zijde van de leitrommel 12 in de bandbewegingsrichting bevindt, is vertikaal geplaatst qp het vergelij-kingsvlak Sq. De leirol 19 leidt de band 13 dus vertikaal naar het vergelijkingsvlak Sq, zodat de hartlijn 33 van de band 13 samenvalt 25 met het vlak P. De leistang 20 (eerste lei-orgaan) leidt de band 13 zodanig, dat de hartlijn 33 van de band 13 samenvalt met het vlak P, en dat de band 13 wordt gericht naar het hellende omtreksoppervlak van de leitrommel 12.
De hellingshoek e.d. van de leistang 20 worden ingesteld 30 overeenkomstig dezelfde werkwijze als voor het instellen van de hellingshoek e.d. van de bijbehorende leistang in een bestaande inrichting, waarbij de band wordt geslagen om de leitrommel over het hoekbereik van 180°. Concreet worden de hellingshoek β , de hellingsrich-ting en de bandomslaghoek van de leistang 20 respectievelijk 35 verkregen door de volgende vergelijkingen.
S3 0 3 7 1 g * ¥ -ΙΟΙ-2-2~ 1-V1-(αο3φ.3ΐηθ.3ΐηα+5ΐηφ.οοΞα) -(cosθ.sing) ^ Ρ1 σοβφ.βϊηθ.βχηα+βΐηφ.cosa οοεφ.Βϊηθ.εΐηα+εΐηφ.cosa mcc = I I τ .I. . ·ι..ι·ι. I — 1 sing. cosg ς eosg!.tg6.tgei+cosa tg Yl = cosa. cos3 j.tgë ^-tg0
In de voorgaande vergelijkingen is de hellingshoek (nog hellende hoek) van het spoor op de vaste band weergegeven door φ, en de hoek waarover de bandomslaghoek 270° overschrijdt door Θ. De hellinsghoek g^ is de ^ schuine stand van de leistang 20 met betrekking tot een lijn, loodrecht op het vergelijkingsvlak Sq.
In de onderhavige uitvoeringsvorm is φ= 6° en 0= 10°. Indien de waarden a= 6°, φ= 6° en 0= 10° worden gesubstitueerd in de voorgaande vergelijkingen, leiden de berekende resultaten tot ^ gj= 6°, ε^= 100° en γ^= 180°. De leistang 20 helt met andere woorden in de 180° ( = γ^) richting, dat wil zeggen in de -X-richting over 6° (= 3^), en de band 13 is om de leistang 20 geslagen over een hoek-1 bereik van 100° (= e^). De leistang 20 richt de band zodanig, dat de hartlijn 33 van de band 13 schuin komt te staan onder een hoek met betrekking tot het vergelijkingsvlak Sq, om welke reden de leistang 20 geen rolconstructie kan hebben en is ontworpen als een kolomvormig orgaan. Het middelpunt van deze leistang 20 op het vergelijkingsvlak Sq, dat wil zeggen op het X-Y-vlak, waar Z=0, bevindt zich in een coördinaat X:-21.14, Y:9,72). De cosinus van de richting van de lei- ος stang 20 is X-companent:0,10, Y-component:0,00, Z-component:-0,99.
Het punt A, waar de hartlijn 33 van de band 13 in aanraking komt met de leistang 20, het punt B, waar de band 13 de leistang 20 verlaat en het punt C, waar de band 13 in aanraking komt met de lei trommel 12 om zodoende te worden geslagen om de lei trommel 12, 30 zijn respectievelijk ingesteld op de volgende X-, Y-, Z-coördinaten.
A = X:—21,40, Y:ll,22, Z:2,46 B = X:-19,66, Y:9,46, Z:2,34 C = X:-20,63, Y:3,58, Z:l,62
Bovendien kan de afstand ΔΖ, waarover het punt D, waar de 35 8303718 - 11 - hartlijn 33 van de band 13 het Y-Z-vlak snijdt, is gescheiden van het vlak P, worden beschreven door de volgende vergelijking: ΔΖ = K.R + K„.i, + K .r Sir
In de voorgaande vergelijking zijn de volgende benoemingen gebruikt: 5 = sina. cos θ- (1Γ/2+Θ) cosa tgφ, = -cosa.sin(J>-sina.cos4>.sin0,
Kr = -sin31.(s1 - sinej), R: straal van de leitrommel 12 (20,67 mm), r: straal van de leistang 20 (1,5 mm) em 10 &: afstand tussen de punten B en C (6,00 mm).
Indien de voorgaande voorgelijking van ΔΖ wordt berekend door het substitueren van cijfervoorbeelden, wordt ΔΖ gelijk aan -2,5mm. Dit betekent, dat de hartlijn 33 van de band 13 zich bevindt ander het vlak P op het punt D. Dienovereenkomstig is de leitrommel 12 op 15 een lage plaats aangebracht, zodat de hoogte van het bovenoppervlak 12a met betrekking tot het vlak P lager is dan de hoogte van het boven-oppervlak van de leitrommel in een bestaande inrichting met een betrekking tot het bandbewegingsvlak in de bandcassette, die in de inrichting is geladen. Als gevolg is de bandcassette 11 geladen qp een plaats, . 20 die bijzonder dicht bij de leitrommel 12 ligt in een toestand, waarin een deel van het epen deksel 17 van de bandcassette 11 over een deel van het bovenoppervlak 12a heen hangt, zoals weergegeven in fig. 2.
Het punt D bevindt zich op de coördinaat X:0,00, Y:-20,65, Z:0,00 op het vergelijkingsvlak Sq.
25 De hellingshoek α en de afstand ΔΖ staan in een zodanig verband, dat de afstand ΔΖ klein wordt en het gevolg van het verlagen van de hoogte van de leitrommel afneemt, wanneer de waarde van de hellingshoek α wordt vergroot.
Thans worden de hellingsrichting e.d. van de leistang 22, 30 de leirol 23 en de leistang 28 beschreven, die zijn voorzien aan de zijde van de leitrommel 12, waar de magneetband 13 de leitrommel 12 verlaat.
Eerst wordt de leistang 22 (tweede bandlei-orgaan) beschreven. Omdat de richting waarin de band 13 zich uitstrekt na het 35 verlaten van de leitrommel 12, is ingesteld in dezelfde richting als ---------* - . - 8303718 - 12 - de X-as, valt de hellingsrichting van de leistang 22 samen met de -X-richting, dat wil zeggen y^ = 180°. Indien wordt aangenomen, dat de leistang 22 onder de hoek β2 helt in de -X-richting, en de band 13 om de leistang 22 is geslagen over de hoek wordt het hellingsvlak 5 volgens de bandbewegingsbaan, waarin de band 13 de leistang 22 verlaat en wordt geleid naar de leirol 23, als volgt bepaald.
Dat wil zeggen dat de cosinus richting loodrecht op het hellingsvlak alsvolgt kan worden omschreven: (X-component) sings.coss2.cosg2~co3|,.sing2 10 mgl (Y-component) = singg.sine2 n .(Z-component) sing .cose0-sing +cosg .cosg0
De hellingsrichting γ ^ van het hellingsvlak wordt omschreven door ^Sl^Sl^Sl' en ^ellingshoek 3^ van het hellingsvlak met betrekking tot het vergelijkingsvlak Sq wordt omschreven door
15 cosB =n .. De hoek, waaronder de band 13 wordt gericht naar de lei-5J. SI
stang 22 wordt weergegeven door 8 , hetgeen gelijk is aan 3 -(φ+α).
s o ' “
Concreet is de hoek ÉL ongeveer gelijk aan 17 . Wanneer de berekening '· ® wordt uitgevoerd door het substitueren van cijfervoorbeelden in elk der veranderlijken in de voorgaande vergelijking wordt de hellings-20 richting γ van het hellingsvlak S gelijk aan -142°49', en wordt S X 1 de hellingshoek β ^ gelijk aan 24 46'. De lijn y-y is de snijlijn tussen het vergelijkingsvlak Sq en het hellingsvlak S^.
Concreet bevindt het middelpunt van de leistang 22 op het vergelijkingsvlak Sq zich op de coördinaat X:-9,55, Y:22,16, en is 25 de cosinusrichting van de leistang 22 gelijk aan X-component:0,48, Y-component:0,00, Z-component:-0,87. Het punt F, waar de hartlijn 33 van de band 13 de leitrommel 12 verlaat, het punt G, waar de hartlijn 33 van de band 13 in aanraking komt met de lei stang 22 en het punt H, waar de hartlijn 33 van de band 13 de leistang 22 verlaat, worden 30 respectievelijk omschreven door de volgende X-, Y-, Z-coördinaten: F = (X:0,69, Y:20,66, Z:-6,71)
Ge (X:-5,17, Y:20,66, Z:-7,94) H - (X:-6,54, Y:21,41, Z:-8,15)
De leirol 23 (derde bandlei-orgaan) is vertikaal aange-35 bracht ten opzichte van het hellingsoppervlak S^. De hartlijn van de 83 03 7 i a « ί.
- 13 - leirol 23 staat loodrecht op de hartlijn 33 van de band 13, die in aanraking komt met de leirol 23 en deze dan verlaat. De leirol 23 is ontworpen voor het draaien in de richting van de in fig. 1 weergegeven pijl. Derhalve is er nagenoeg geen toename van de spanning in de band 5 13 wanneer deze langs de leirol 23 loopt, zelfs niet indien de band 13 over een grote hoek om de leirol 23 is geslagen. De leirol 23 verandert met andere woorden de bandbewegingsrichting over ongeveer 180° zonder de belasting te vergroten, die werkt op de band 13 wanneer deze beweegt. Bovendien bevindt de leirol 23 zich pp een plaats, die be-10 trekkelijk dicht bij de leitrommel 12 is. De eerder beschreven leistang 22 werkt (¾) de band 13, zodat de band 13, die de leitrommel 12 verlaat, wordt gericht naar de leirol 23 voor het in aanraking komen met de leirol 23 in een toestand, waar de hartlijn 33 van de band 13 loodrecht staat cp de hartlijn van de leirol 23.
15 Concreet bevindt het middelpunt van de leirol 23 op het vergelijkingsvlak Sq zich in een coördinaat X:-10,10, Y:26,00, en is de cosinusrichting van de leirol 23 gelijk aan X-component:0,33, Y-component:0,25, Z-component:0,90. Dat wil zeggen, dat de hellings-richting van de leirol 23 gelijk is aan -143°, en de hellingshoek 20 β3 van de leirol 23 met betrekking tot het vergelijkingsvlak Sq gelijk is aan 25 . De hellingshoek is de schuine stand van de leirol 23 met betrekking tot een lijn, loodrecht op het vergelijkingsvlak Sq.
Verder kunnen het punt I, waar de hartlijn 33 van de magneetband 13 in aanraking kamt met de leirol 23, en het punt J, waar de hartlijn 33 25 van de band 13 de leirol 23 verlaat, worden omschreven door de volgende X-, Y-, Z-coördinaten: I = (Xi-9,90, Y:26,38, Z:-8,00) J = (X:-6,99, Y:30,64, Z:-5,74)
De hartlijn 33 van het deel van de band 13 dat om de leirol 23 is 30 geslagen, bevindt zich met andere woorden op een betrekkelijk lage plaats met betrekking tot het vergelijkingsvlak Sq.
De leistang 28 (vierde bandlei-orgaan) verandert de bewe-gingsbaan van de band 13, die de leirol 23 verlaat en evenwijdig beweegt met het hellingsvlak S^, naar een bewegingsbaan, die evenwijdig 35 is met het hori zen tale vergelijkingsvlak Sq. In de weergegeven uit- 8303718 - 14 - voeringsvorm valt de hellingsrichting van de lei stang 28 samen met de -Y-richting, omdat de richting waarinde band 13 beweegt na het verlaten van de leistang 28 is ingesteld om samen te vallen met de -Y-rich-ting, dat wil zeggen dat gelijk wordt aan -90°. De hellingshoek 5 van de leistang 28 is weergegeven door . De hellingshoek is de schuine stand van de leistang 28 met betrekking tot een lijn, loodrecht op het vergelijkingsvlak Sq. Een hoek λ, weergegeven in fig. 4, die is gevormd tussen de hartlijn 33 van de band 13 en de lijn Y-Y is gelijk aan(90°- ys1)=52°49'.
10 Zoals weergegeven in fig. 7 werkt de leistang 28 op de band 13, zodat een bandgedeelte 13A, dat loodrecht staat op het hel-lingsvlak S^, wordt veranderd naar een bandgedeelte 13B dat loodrecht staat op het vergelijkingsvlak Sq. De betrekkingen, die aanwezig zijn langs de omtrek van de leistang 28 zijn geometrisch weergegeven in de 15 fig. 8 en 9.
In fig. 8 is de lijn Sc de bisectrise van een hoek, gevormd tussen een lijn S^a op het hellingsvlak S^, en een lijn SQa cp het vergelijkingsvlak Sq. De hoek, gevormd tussen de lijn en de bisectrise S en de hoek, gevormd tussen de lijn S en de bisectrise c oa 20 S is b ,/2. Bovendien zijn de bandgedeelten 13A en 13B symmetrisch C bl ten opzichte van een vertikaal vlak, dat door de bisectrise gaat.
De hoeken λ en μ zijn dus gelijk met betrekking tot de bandgedeelten 13A en 13B, zoals is weergegeven in fig. 8. Een lijn gaat door de snijding tussen de vlakken Sq en S^, en staat vertikaal op het hel- 25 lingsvlak S^. Delengte van de lijn komt overeen met de breedte van de band 13 in het bandgedeelte 13A. Een lijn W2 gaat ook door de snijding tussen de vlakken Sq en en staat vertikaal op het vergelijkingsvlak Sq. Delengte van de lijn komt overeen met de breedte van de band 13 in het bandgedeelte 13B.
30 Fig. 9 toont een verlengingsvlak van het bandgedeelte 13A, welk vlak de bisectrise bevat en vertikaal staat op het vergelijkingsvlak Sq, en een deel van het bandgedeelte 13B qp grotere schaal.
Door het analyseren van fig. 1 kan de volgende vergelijking (1) worden gevormd: 35 cosp = cosX.cos(8gj/2) (1) 8303718 - 15 ,-
Aan de andere kant kan door het analyseren van fig. 9 de volgende vergelijking (2) worden gevormd: cosy = (sin(6gl/2))/tgB4 (2)
De volgende vergelijking vloeit voort uit de vergelijkingen (1) en (2): 5 cosl.cos(ggl/2) = (sin(6gl/2))/tg64
Als gevolg kan de hellingshoek β^ van de leistang 28 met betrekking tot het vergelijkingsvlak S (of het hellingsvlak S.) worden omschre- o 1 ven, uitgedrukt in de hoek 0g^ (hellingshoek van het vlak met betrekking tot het vergelijkingsvlak S ), die is gevormd tussen de vlak- o 10 ken S en S,, en de invalshoek λ van het bandgedeelte 13A (of 13B) o 1 met betrekking tot de snijlijn Y-Y tussen de vlakken Sq en . Derhalve geldt met betrekking tot de hellingshoek β^ de volgende vergelijking (3).: tg64 = (tg(8gl/2))/cosA (3) 15 Door het analyseren van fig. 9 kan bovendien de hoek ε4, waarover de band 13 om de leistang 28 is geslagen, worden omschreven door de volgende vergelijking (4): sin(c4/2) = (sin(8gl/2))/sin84 (4)
Indien de waarden 8g^ = 24°46Γ en 64=52°49' worden gesubstitueerd in 20 de vergelijking (3), wordt de hellingshoek β^ gelijk aan 19°57'. Uit de vergelijking (4) wordt bovendien ε4 gelijk aan 78°.
De betrekking tussen de leis tang 28 en de hoogte van de band 13 is zodanig, dat een lengte van de band 13 tussen het punt, waar de band 13 de leirol 23 verlaat, en het punt, waar de band 13 de 25 leistang 28 bereikt, verandert, en de hoogte van de band 13 verandert, wanneer de plaats van de leistang 28 in het bovenaanzicht wordt veranderd. In de weergegeven uitvoeringsvorm is de leistang 28 aangebracht op een plaats, die op een betrekkelijke afstand ligt vanaf de leirol 23 en betrekkelijk dichtbij de leitrommel 12, zodat de band 13 30 wordt geleid in een toestand, waarin de hartlijn 33 van de band 13 samenvalt met het vlak P.
Concreet bevindt het middelpunt 04 van de leistang 29 op het vergelijkingsvlak S zich in de coördinaat X:21,79, Y:20,31, en o is de cosinusrichting van de leistang 29 gelijk aan X-component:0,00, 35 Y-component:0,34, Z-coraponent:-0,93. Bovendien kunnen het punt K, waar 8303718 » - 16 - de hartlijn 33 van de band 13 in aanraking komt met de leistang 29 , en het punt L, waar de hartlijn 33 van de band 13 de leistang 29 verlaat, respectievelijk worden omschreven door de volgende X-, Y-, Z-coördinaten : 5 K = (X:22,10, Y:21,04, Z:2,27) L = (X:22,29, Y:19,41, Z:2,46)
Het is duidelijk, dat veranderingen en verbeteringen kunnen worden aangebracht zonder buiten het kader van de uitvinding te treden.
8303718
Claims (11)
- 2. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de eerste, tweede, derde en vierde bandlei-organen (20, 22, 23, 28) zich dichtbij het omtreksoppervlak van de bandlei trommel (12) bevin- 5 den.
- 3. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de tweede, derde en vierde bandlei-organen (20, 22, 23, 28) zich bevinden op plaatsen voor het vormen van een bandbaan (34D) waarin de magneetband loodrecht staat op een hellingsvlak (S^), dat schuin staat 10 met betrekking tot het horizontale verge lij kings vlak, en de hartlijn van de magneetband evenwijdig is met dit hellingsvlak.
- 4. Inrichting volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat het derde bandlei-orgaan een draaibare rol heeft, die overeenkomstig de bweging van de magneetband draait.
- 5. Inrichting volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat het vierde bandlei-orgaan een hellingshoek β^ heeft, die wordt omschreven door de vergelijking: tg$4 = (tg(8gl/2))/cosl 1 waarin βα. de snijdingshoek is van het horizontale vergelijkingsvlak 20 en het hellingsvlak, λ de invalshoek is van de magneetband met betrekking tot de snijlijn tussen het horizontale vergelijkingsvlak en het hellingsvlak en β^ de hellingshoek vein het vierde bandlei-orgaan met betrekking tot een lijn, die loodrecht staat op het horizontale vergelijkingsvlak .
- 6. Inrichting volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat de magneetband om het vierde bandlei-orgaan is geslagen over een hoek ε^, die wordt omschreven door de vergelijking: sin(ε^/2) = (sin(£gl/2))/sin84 waarin β ^ de snijdingshoek is van het horizontale vergelijkingsvlak 30 en het hellingsvlak, β^ de hellingshoek van het vierde bandlei-orgaan met betrekking tot een lijn, die loodrecht staat op het horizontale vergelijkingsvlak.
- 7. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de hartlijn van de magneetband, die om de bandleitrommel is geslagen, 35 een hoogte inneemt, die lager ligt dan een vergelijkingsbandhoogte (P) 8303718 - 19 - die de hoogte is van de hartlijn van de magneetband, die zich bevindt in bandbanen (34A, 34B), die zich respectievelijk uitstrekken vanaf stroomopwaarts van het eerste bandlei-orgaan en vanaf stroomafwaarts van het vierde bandlei-orgaan, waarbij de bandleitrommel een boven-5 oppervlak (12a) heeft, dat zich bevindt op een hoogte, die lager is dan de gebruikelijke hoogte van het bodenoppervlak van de leitrommel in een bestaande inrichting, en zodanig is aangebracht, dat het bovenoppervlak lager ligt dan een epen deksel (17) van een bandcassette (11), die in de inrichting is geladen, en waarvan het deksel in de 10 open toestand een horizontale stand inneemt.
- 8. Inrichting volgens conclusie 1, met het-kenmerk, dat de eerste en tweede bandlei-organen zodanig zijn aangebracht, dat het tweede bandlei-orgaan de magneetband met betrekking tot een voorste oppervlak van een bandcassette (11) , die in de inrichting is geladen, 15 om de bandlei trommel slaat over een hoekbereik, dat groter is den het hoekbereik, waarover het eerste bandlei-orgaan de magneetband om de bandleitromroe1 slaat.
- 9. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat het eerste bandlei-orgaan zich met betrekking tot een voorste cpper- 20 vlak van een bandcassette (11), die in de inrichting is geladen, bevindt aan één zijde van de bandleitrommel, waarbij het tweede bandlei-orgaan zich in hoofdzaak aan de achterzijde van de bandleitrommel bevindt.
- 10. Inrichting volgens conclusie 1, waarbij een wiskop 25 ve±." de volle breedte aanwezig is, alsmede een hoor-en stuurkop, met het kenmerk, dat een bandcassette (11) in de inrichting is geladen voor het innemen van een zodanige stand, dat een voorste oppervlak van de geladen bandcassette schuin staat met betrekking tot een hel-lingsrichting van de bandleitrommel, waarbij de bandleitrommel, de 30 eerste tot en met de vierde bandlei-organen, de wiskop over de volle breedte en de hoor- en stuurkop zijn aangebracht tussen vlakken(S^, S3), die verlengingen zijn van de rechter- en linker-zijoppervlakken van de geladen bandcassette.
- 11. Inrichting volgens conclusie 1, voorzien van een 35 hoor-en stuurkop, met het kenmerk, dat de hoor- en stuurkop zich ----1 -T 8303718 * . i - 20 - bevindt qp een zodanige plaats, dat een bandbaan (34D) , die zich uitstrékt vanaf een punt, waar de magneetband de bandleitrommel verlaat, naar de hoor- en stuurkop, een voorafbepaaide lengte () heeft.
- 12. Inrichting in hoofdzaak zoals in de beschrijving 5 beschreven en in de tekening weergegeven. 8303718
Applications Claiming Priority (8)
Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
---|---|---|---|
JP19046182 | 1982-10-29 | ||
JP57190462A JPS5979455A (ja) | 1982-10-29 | 1982-10-29 | 磁気記録再生装置 |
JP57190463A JPS5979459A (ja) | 1982-10-29 | 1982-10-29 | 磁気記録再生装置 |
JP57190461A JPS5979454A (ja) | 1982-10-29 | 1982-10-29 | 磁気記録再生装置 |
JP57190460A JPS5979453A (ja) | 1982-10-29 | 1982-10-29 | 磁気記録再生装置 |
JP19046382 | 1982-10-29 | ||
JP19046282 | 1982-10-29 | ||
JP19046082 | 1982-10-29 |
Publications (1)
Publication Number | Publication Date |
---|---|
NL8303718A true NL8303718A (nl) | 1984-05-16 |
Family
ID=27475484
Family Applications (1)
Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
---|---|---|---|
NL8303718A NL8303718A (nl) | 1982-10-29 | 1983-10-28 | Inrichting voor het magnetisch optekenen en/of weergeven. |
Country Status (9)
Country | Link |
---|---|
US (1) | US4665450A (nl) |
KR (1) | KR880000241B1 (nl) |
AT (1) | AT379908B (nl) |
BR (1) | BR8305953A (nl) |
DE (1) | DE3338710A1 (nl) |
FR (1) | FR2535501B1 (nl) |
GB (1) | GB2131997B (nl) |
MY (1) | MY8700262A (nl) |
NL (1) | NL8303718A (nl) |
Families Citing this family (12)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
JPS6157057A (ja) * | 1984-08-27 | 1986-03-22 | Sony Corp | テ−プ案内装置 |
JPH061584B2 (ja) * | 1985-03-27 | 1994-01-05 | 株式会社日立製作所 | 磁気記録再生装置 |
JPH0760544B2 (ja) * | 1985-07-17 | 1995-06-28 | ソニー株式会社 | 記録再生装置のテ−プガイド機構 |
JPS62208452A (ja) * | 1986-03-06 | 1987-09-12 | Clarion Co Ltd | 磁気記録再生装置 |
US5184259A (en) * | 1988-07-05 | 1993-02-02 | U.S. Philips Corporation | Helical-scan magnetic tape apparatus having a tape-transport path with twisting path-sections for tape-path correction |
NL8801699A (nl) * | 1988-07-05 | 1990-02-01 | Philips Nv | Scheefspoormagneetbandapparaat voorzien van een bandloop met torsietrajecten ter correctie van die bandloop. |
JP2567925B2 (ja) * | 1988-09-30 | 1996-12-25 | 株式会社日立製作所 | 記録再生装置のテープローディング機構 |
DE69033148T2 (de) * | 1989-03-31 | 1999-12-09 | Sony Corp., Tokio/Tokyo | System zur Gewährleistung eines stabilen Bandlaufs bei Aufzeichnung und/oder Wiedergabe |
US5204791A (en) * | 1989-10-13 | 1993-04-20 | Matsushita Electric Industrial Co., Ltd. | Tape loading device of a video tape recorder having a linkage driven inclined auxiliary tape guide member |
US5760994A (en) * | 1991-01-23 | 1998-06-02 | Canon Kabushiki Kaisha | Recording or reproducing apparatus |
JPH06290520A (ja) * | 1993-04-06 | 1994-10-18 | Matsushita Electric Ind Co Ltd | 磁気記録再生装置 |
US20070153162A1 (en) * | 2005-12-30 | 2007-07-05 | Wright Robin E | Reinforced reflective polarizer films |
Family Cites Families (11)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
US3691315A (en) * | 1970-08-24 | 1972-09-12 | Ampex | Helical scan magnetic recorder having a critical angle for the tape at the entrance and exit guides in the head drum |
JPS5736656B2 (nl) * | 1973-11-20 | 1982-08-05 | ||
US3940791A (en) * | 1974-08-19 | 1976-02-24 | Ampex Corporation | Magnetic tape transport |
JPS5827580B2 (ja) * | 1976-05-04 | 1983-06-10 | 松下電器産業株式会社 | 磁気記録再生装置 |
JPS55160362A (en) * | 1979-05-31 | 1980-12-13 | Sony Corp | Tape loader |
JPS6241374Y2 (nl) * | 1979-12-27 | 1987-10-23 | ||
DE3127592A1 (de) * | 1980-07-14 | 1982-04-01 | Canon K.K., Tokyo | Kassettengeraet fuer magnetische aufnahme und/oder wiedergabe |
JPS5786161A (en) * | 1980-11-17 | 1982-05-29 | Sony Corp | Tape loading device |
JPS57169961A (en) * | 1981-04-10 | 1982-10-19 | Sony Corp | Tape loading device |
JPS57212651A (en) * | 1981-06-24 | 1982-12-27 | Matsushita Electric Ind Co Ltd | Magnetic recording and reproducing device |
JPS58121170A (ja) * | 1982-01-13 | 1983-07-19 | Hitachi Ltd | 磁気記録再生装置のテ−プ案内機構 |
-
1983
- 1983-10-20 US US06/543,924 patent/US4665450A/en not_active Expired - Lifetime
- 1983-10-25 DE DE19833338710 patent/DE3338710A1/de active Granted
- 1983-10-27 BR BR8305953A patent/BR8305953A/pt not_active IP Right Cessation
- 1983-10-27 FR FR8317191A patent/FR2535501B1/fr not_active Expired
- 1983-10-28 KR KR1019830005106A patent/KR880000241B1/ko not_active IP Right Cessation
- 1983-10-28 NL NL8303718A patent/NL8303718A/nl not_active Application Discontinuation
- 1983-10-31 AT AT0386183A patent/AT379908B/de not_active IP Right Cessation
- 1983-10-31 GB GB08329009A patent/GB2131997B/en not_active Expired
-
1987
- 1987-12-30 MY MY262/87A patent/MY8700262A/xx unknown
Also Published As
Publication number | Publication date |
---|---|
GB8329009D0 (en) | 1983-11-30 |
DE3338710A1 (de) | 1984-05-03 |
FR2535501B1 (fr) | 1987-04-10 |
BR8305953A (pt) | 1984-06-05 |
KR880000241B1 (ko) | 1988-03-15 |
GB2131997A (en) | 1984-06-27 |
MY8700262A (en) | 1987-12-31 |
FR2535501A1 (fr) | 1984-05-04 |
GB2131997B (en) | 1986-06-11 |
US4665450A (en) | 1987-05-12 |
ATA386183A (de) | 1985-07-15 |
DE3338710C2 (nl) | 1988-06-30 |
KR840006717A (ko) | 1984-12-01 |
AT379908B (de) | 1986-03-10 |
Similar Documents
Publication | Publication Date | Title |
---|---|---|
NL8303718A (nl) | Inrichting voor het magnetisch optekenen en/of weergeven. | |
CA1078510A (en) | Magnetically recording and reproducing apparatus | |
US4778121A (en) | Guiding on device for winchdrum | |
US4017897A (en) | Magnetic tape guide having a tapered roller and an adjustable contoured edge | |
JPS6348094B2 (nl) | ||
KR950700209A (ko) | 와이어 형상의 제품을 플랜지 릴에 권취하는 방법 및 권취기(a method of and a device for winding a wire-like product on a flanged reel) | |
US5808827A (en) | Tape loading mechanism | |
JPH0644369B2 (ja) | 磁気記録再生装置 | |
US5883752A (en) | Compact magnetic recording/reproducing apparatus having accurate tape running performance | |
US3929298A (en) | Endless tape transporting device | |
EP0265987B1 (en) | Tape-transport device and tape-process apparatus provided with such a tape-transport device | |
US5786959A (en) | Recording and/or reproducing apparatus with rotary drum unit | |
US3458148A (en) | Arrangement for the rewinding of a wound strip | |
EP0329345B1 (en) | Magnetic recording and reproducing apparatus | |
JP3042003B2 (ja) | テープパス系のテープ走行高さ修正装置 | |
JPS6346504B2 (nl) | ||
JPS5863693A (ja) | ウインチのケ−ブル等のガイド方法 | |
JPH0256740B2 (nl) | ||
JP3146613B2 (ja) | 磁気記録再生装置 | |
KR900004305Y1 (ko) | 브이씨알의 테이프 주행계 | |
JPS63276744A (ja) | テ−プロ−デイング装置 | |
JPH0746451B2 (ja) | 磁気記録再生装置 | |
JPH0812730B2 (ja) | 磁気記録再生装置 | |
JPH0585976B2 (nl) | ||
JPH04109453A (ja) | 磁気記録再生装置におけるテープガイド機構 |
Legal Events
Date | Code | Title | Description |
---|---|---|---|
A85 | Still pending on 85-01-01 | ||
BA | A request for search or an international-type search has been filed | ||
BB | A search report has been drawn up | ||
BC | A request for examination has been filed | ||
BV | The patent application has lapsed |