NL8701715A - Machine voor het strooien van materiaal. - Google Patents
Machine voor het strooien van materiaal. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8701715A NL8701715A NL8701715A NL8701715A NL8701715A NL 8701715 A NL8701715 A NL 8701715A NL 8701715 A NL8701715 A NL 8701715A NL 8701715 A NL8701715 A NL 8701715A NL 8701715 A NL8701715 A NL 8701715A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- machine
- machine according
- spreading
- spreading member
- members
- Prior art date
Links
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01C—PLANTING; SOWING; FERTILISING
- A01C17/00—Fertilisers or seeders with centrifugal wheels
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01C—PLANTING; SOWING; FERTILISING
- A01C17/00—Fertilisers or seeders with centrifugal wheels
- A01C17/006—Regulating or dosing devices
- A01C17/008—Devices controlling the quantity or the distribution pattern
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Soil Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Fertilizing (AREA)
- Catching Or Destruction (AREA)
Description
ί
2753/Ned/AV
& C. van der Lely N.V., Maasland.
MACHINE VOOR HET STROOIEN VAN MATERIAAL
De uitvinding heeft betrekking op een machine voor het strooien van materiaal, in het bijzonder korrel- en/of poedervormig materiaal zoals kunstmest, voorzien van een gestel, een voorraadbak en ten minste één aangedreven ver-5 spreidorgaan.
Een doel van de uitvinding is een goede verspreiding van het materiaal door het verspreidorgaan te verkrijgen.
Volgens de uitvinding kan een machine van de 10 bovengenoemde soort van een electronische meetinrichting worden voorzien voor het meten van de werkbreedte van het te verspreiden materiaal. Een gunstig uitvoeringsvoorbeeld wordt hierbij verkregen wanneer de electronische meetinrichting de draaisnelheid van het verspreidorgaan meet.
15 Volgens een verder uitvoeringsvoorbeeld wordt het verspreidorgaan door een frictiewiel aangedreven waarbij de electronische meetinrichting de draaisnelheid via de plaats van het frictiewiel meet.
Bij een gunstig uitvoeringsvoorbeeld van de con-20 structie volgens de uitvinding is het door een frictiewiel aangedreven verspreidorgaan enigszins verstelbaar ten opzichte van zijn legering voor het regelen van de kracht waarmede het frictiewiel en het verspreidorgaan tegen elkaar aan worden gehouden.
25 Een goede constructie wordt hierbij verkregen wanneer het frictiewiel door een hydraulisch verstelmechanisme ten opzichte van het verspreidorgaan verstelbaar is.
De gewenste verdeling van het te verspreiden mate-30 riaal bij de machine volgens de in de aanhef genoemde soort wordt volgens de uitvinding op gunstige wijze bereikt wanneer de machine slechts één verspreidorgaan omvat, waarmede het materiaal over een effectieve werkbreedte tot ongeveer 36 8701715 2 -¾ meter kan worden uitgestrooid. Hierbij kan op gunstige wijze volgens een verder uitvoeringsvoorbeeld van de uitvinding de verspreiding van het materiaal door het verspreidorgaan meetbaar zijn door electromagnetische en/of geluidsgolven. Onge-5 wenste beïnvloeding van deze meting kan volgens de uitvinding op gunstige wijze bereikt worden wanneer de golven in een van een verticale richting afwijkende, respectievelijk van een loodrecht op het te bestrooien oppervlak afwijkende richting worden uitgezonden tijdens bedrijf van de machine. Hierbij 10 zal een weerkaatsing van de golven anders dan door uitgestrooid materiaal practisch voorkomen worden.
Een gunstige constructie van de machine volgens de uitvinding wordt verkregen wanneer de uitgezonden golven worden ontvangen door ontvangers die zijn aangebracht in de 15 de golven uitzendende organen. Hierbij kunnen de opgewekte spanningen of stromen in de ontvanger na versterking en/of decodering op een afleesinrichting een afleesbaar beeld geven. Een gunstige ligging van de organen voor het uitzenden, respectievelijk ontvangen, van golven wordt verkregen 20 wanneer deze organen onder het verspreidorgaan zijn gelegen en de uitgezonden golven schuin omhoog opwaarts worden gericht naar het vlak waarlangs het materiaal door het verspreidorgaan wordt weggeworpen.
Volgens een verder uitvoeringsvoorbeeld worden de 25 uitgezonden golven gericht in de richting van een weer-kaatsingsvlak dat aan de machine is aangebracht, waarbij het weerkaatsingsvlak zodanig is aangebracht dat niet door tijdens het bedrijf weggeworpen materiaal teruggekaatste golven in een van de ontvangorganen afgerichte richting weerkaatst 30 worden.
Bij een verder aspect van de machine volgens de in de aanhef genoemde soort zijn twee of meer doseeropeningen aangebracht waardoor het materiaal aan het verspreidorgaan wordt toegevoerd, waarbij deze doseeropeningen rond de 35 draaiingsas van het verspreidorgaan naast elkaar zijn gelegen. Volgens een verder uitvoeringsvoorbeeld zijn ten minste twee van de doseeropeningen onafhankelijk van elkaar meer of minder afsluitbaar door een afsluitorgaan. Een gunstige lig- 8701715 * 3 s ging van de doseeropeningen en doorstroming van het materiaal door de doseeropeningen wordt verkregen, wanneer de doseeropeningen in een gebogen wandvlak zijn aangebracht. Bij voorkeur is een dergelijk wandvlak gebogen om een hartlijn die 5 bij horizontale stand van de machine althans nagenoeg horizontaal is gelegen.
Volgens een verder aspect van de uitvinding is de verdeling van het materiaal over de strooiwaaier waarover het materiaal door het verspreidorgaan wordt uitgestrooid, weer-10 geefbaar op een afleesinrichting. Volgens een gunstig uit-voeringsvoorbeeld zijn nabij de afleesinrichting een aantal bedieningsorganen aangebracht die overeenstemmen met het aantal afsluitorganen, waarbij elk afsluitorgaan met een bedieningsorgaan is gekoppeld. Ook is het mogelijk de aflees-15 inrichting te koppelen met een schakelmechanisme dat is gekoppeld met het afsluitorgaan, een en ander zodanig dat de informatie van de afleesinrichting via het schakelmechanisme een verstelinrichting voor de afsluitorganen automatisch bedient.
20 Een gunstig uitvoeringsvoorbeeld wordt verkregen wanneer de afleesinrichting indicatiemiddelen heeft waarmede de ligging van de strooiwaaier om de draaiingsas van het verspreidorgaan in relatie tot de tijdens bedrijf normale voortbewegingsrichting van de machine aangegeven kan worden.
25 In relatie tot de weergegeven indicaties betreffende de ligging van de strooiwaaier kunnen de afvoeropeningen verstelbaar zijn om de draaiingsas van het verspreidorgaan.
Bij een verder uitvoerings voorbeeld van de machine volgens de uitvinding zijn in de voorraadbak nabij de doseer-30 openingen doorstroomorganen aangebracht, die tijdens bedrijf de doorstroming van het materiaal uit de voorraadbak door de doorstroomopeningen beïnvloeden. Deze doorstroomorganen kunnen op gunstige wijze aangedreven worden door een verspreidorgaan waarvan de bewegingssnelheid veranderbaar is. Aldus 35 zullen de doorstroomorganen in relatie tot de bewegingssnel-heid van het verspreidorgaan de doorstroming door één of meerdere doseeropeningen naar het verspreidorgaan beïnvloeden.
8701715 *
De uitvinding zal nader worden uiteengezet aan de hand van de figuren van enkele uitvoeringsvoorbeelden.
Figuur 1 is een zijaanzicht van een machine volgens de uitvinding.
5 Figuur 2 is een bovenaanzicht van de machine volgens figuur 1.
Figuur 3 is op vergrote schaal ten dele een doorsnede en ten dele een aanzicht volgens de lijn III-III in figuur 2.
10 Figuur 4 is een bovenaanzicht van het deel volgens figuur 3 gezien in de richting volgens de pijl IV in figuur 3, waarbij van het bovendeel van het reservoir slechts de cilindervormige onderwand in doorsnede is weergegeven.
Figuur 5 is op vergrote schaal een bovenaanzicht 15 van een deel van de machine gezien volgens de lijn V-V in figuur 1.
Figuur 6 geeft een verticale doorsnede weer van het deel van de machine volgens figuur 5, gezien volgens de lijn VI-VI in figuur 5, waarbij ook een deel van het ver-20 spreidorgaan in doorsnede is weergegeven.
Figuur 7 is een uitvoeringsvoorbeeld van een bij de machine volgens de uitvinding behorende aflees- en instelinrichting.
Figuur 8 is een ander uitvoeringsvoorbeeld van een 25 bij de machine volgens de uitvinding behorende aflees- en instelinrichting.
Figuur 9 is een zijaanzicht van een ander uitvoeringsvoorbeeld van een machine volgens de uitvinding.
Figuur 10 is een bovenaanzicht van de machine 30 volgens figuur 9.
Figuur 11 geeft op vergrote schaal een deel van de machine volgens figuur 9 in verticale doorsnede weer, gezien Volgens de lijn XI-XI in figuur 9.
De machine volgens de uitvinding betreft een 35 machine voor het strooien van materiaal, in het bijzonder voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal zoals zaden en/of kunstmest. De machine is voorzien van een gestel 1 dat een bok 2 omvat, door middel waarvan de machine 8701715 5 aan een driepuntshefinrichting 3 van een de machine tijdens bedrijf voortbewegende trekker of dergelijk voertuig 4 kan worden bevestigd. De machine omvat een voorraadbak 5 die door middel van een tweetal aan de bok 2 bevestigde, zich ten 5 opzichte van de rijrichting A achterwaarts uitstrekkende draagbalken 6 wordt afgesteund. Tevens wordt de voorraadbak ter plaatse van het de bovenzijde van de bok 2 door het gestel ondersteund. Nabij de onderzijde is het gestel voorzien van een steunbalk 7, waarmede de machine op de grond kan 10 steunen.
Het gestel omvat twee zich evenwijdig aan de rijrichting A uitstrekkende gestelbalken 8, waartussen een aandrijfas 9 is gelegen. De aandrijfas 9 is door middel van een tussenas koppelbaar met de aftakas van de trekker 4. Tussen 15 de gestelbalken 8 is een leger 10 aangebracht, waarin een zich omhoog uitstrekkende draagbus 13 is gelegerd. De hartlijn 11 van de draagbus valt samen met de hartlijn van de voorraadbak 5. Aan de draagbus 13 is een verspreidorgaan 12 aangebracht, dat om een zich in hoogterichting uitstrekkende 20 draaiingsas verdraaibaar is. De draaiingsas wordt hierbij gevormd door de hartlijn 11 van de draagbus 13. In dit uit-voeringsvoorbeeld is slechts één verspreidorgaan aangebracht, dat is gelegen onder de voorraadbak 5. Het verspreidorgaan 12 is tijdens bedrijf aandrijfbaar door de aandrijfas 9. Tijdens 25 bedrijf wordt het te verspreiden materiaal vanuit de voorraadbak 5 aan het verspreidorgaan toegevoerd.
De voorraadbak omvat een bovendeel 15 dat een concentrisch om de draaiingsas 11 gelegen cilindervormige onderrand 16 heeft (figuur 3). De voorraadbak 5 omvat een 30 doseerdeel 17, dat met de bovenrand 42 om de buitenomtrek van de onderrand 16 is gelegen. De bovenrand van het doseerdeel 17 is verdraaibaar aangebracht om de onderrand 16. Het doseerdeel 17 omvat een gebogen wanddeel 18, dat volgens een deel van een cilinderoppervlak is gebogen, waarvan de 35 hartlijn 21 bij horizontale stand van de machine horizontaal is gelegen. Het doseerdeel 17 omvat een vanaf de onderzijde van het gebogen wanddeel 18 zich schuin opwaarts omhoog uitstrekkend wanddeel 19. De bovenzijde van de wanddelen 18 8701715 » 6 *» en 19 sluiten aan de cilindervormige bovenrand van het doseerdeel 17 aan. De wanddelen 18 en 19 sluiten op de onderzijden van op afstand van en evenwijdig aan elkaar gelegen en zich verticaal uitstrekkende wanddelen 20 van het doseerdeel 5 17 aan. De wanddelen 20 strekken zich hierbij loodrecht op de hartlijn 21 uit. De hartlijn 21 ligt ongeveer ter hoogte van de bovenzijde van de wanddelen 18, 19 en 20.
In het wanddeel 18 zijn een aantal, in dit uit-voeringsvoorbeeld zes, aan elkaar gelijke doseeropeningen 22 10 aangebracht. De doseeropeningen 22 zijn in hoofdzaak rechthoekig en sleufvormig gevormd. De doseeropeningen zijn, gezien evenwijdig aan de hartlijn 21, in hoofdzaak concentrisch om deze hartlijn 21 gelegen (figuur 4 en 5). De sleufvormige doseeropeningen zijn evenwijdig aan elkaar gele-15 gen, waarbij de ondereinden van deze openingen puntvormig zijn gevormd zoals in het bijzonder uit figuur 4 blijkt. De ondereinden van de sleufvormige doseeropeningen 22 zijn, in bovenaanzicht gezien, althans ongeveer concentrisch om de draaiingsas 11 van het verspreidorgaan 12 gelegen. Hierbij 20 liggen de onderste delen van de middelste doseeropeningen 22 ongeveer loodrecht onder de hartlijn 21. De meer naar buiten gelegen doseeropeningen 22 strekken Zich meer in de richting van het wanddeel 19 uit. De buitenste van de doseeropeningen 22 liggen met hun puntvormige ondereinden ongeveer nabij de 25 overgang van het cilindervormige wanddeel 18 in het rechte wanddeel 19. Passend tegen de buitenzijde van het wanddeel 18 is voor elk der doseeropeningen 22 een afsluitorgaan in de vorm van een doseerschuif 23 aangebracht. Elke doseerschuif 23 is (figuur 3) als een deel van een cilinderoppervlak 30 gevormd en wel zodanig dat de hartlijn van deze gebogen doseerschuiven samenvalt met de hartlijn 21 van het wanddeel 18. Elke doseerschuif 23 is door middel van geleidingen die zich aan weerszijden van elke doseeropening uitstrekken om de hartlijn 21 beweegbaar. De doseerschuiven zijn evenals de 35 doseeropeningen rechthoekig en langwerpig. Nabij hun onderzijden zijn de doseerschuiven voorzien van oren 24. De oren 24 van elk van de doseerschuiven zijn door middel van schar-nieras 25 verbonden met een zuigerstang van een hydraulisch 8701715 7 n· verstelmechanisme 2 6, dat de zuigerstang en een cilinder omvat. Elk van de hydraulische verstelorganen 26 is scharnierend verbonden met een koppelas 27, die zich uitstrekt evenwijdig aan de hartlijn 21. De koppelas 27 is scharnierend 5 gekoppeld met een aantal strippen 28, die verder scharnierend aangebracht zijn om een scharnieras 29, die evenwijdig is gelegen aan de koppelas 27. In de in figuur 3 weergegeven stand waarbij de doseeropeningen 22 geheel geopend zijn en de doseerschuiven boven deze doseeropeningen zijn gelegen, is de 10 afstand tussen de as 29 en de hartlijn 21 kleiner dan de afstand tussen de koppelas 27 en de hartlijn 21.'Hierbij strekken de strippen 28 zich, gezien in figuur 3, onder een scherpe hoek met de cilinders van de verstelorganen 26 uit.
Het midden van de koppelas 27 is verbonden met een 15 hydraulisch verstelorgaan 30, dat een cilinder en zuigerstang omvat. Het hydraulisch verstelorgaan 30 is aan het van de koppelas 27 afgekeerde einde scharnierbaar verbonden met een scharnieras 31, die zich uitstrekt tussen de uiteinden van twee beugels 32. De beugels 32 zijn vast verbonden met de 20 bovenzijde van het doseerdeel 17. De uiteinden van de scharnieras 29 zijn, zoals in het bijzonder uit figuur 4 blijkt, gelegerd in de beugels 32. De verstelorganen 26 en 30 zijn aan die zijde van de hartlijn 21 gelegen, die is af gekeerd van de zijde waar de draaiingsas 11 is gelegen (figuur 3 en 25 4). De hartlijn 21 ligt hierbij, zoals in het bijzonder uit figuur 3 blijkt, op afstand van de draaiingsas 11. De hartlijn 21 en de draaiingsas 11 strekken zich hierbij loodrecht ten opzichte van elkaar uit. Bij horizontale stand van de machine is de draaiingsas 11 verticaal gelegen.
30 De hydraulische verstelorganen 26 en 30 zijn alle dubbelwerkend uitgevoerd. Indien het verstelorgaan 30 is geblokkeerd en één of meer verstelorganen 26 zodanig wordt bekrachtigd dat de zuigerstang daarvan uittreedt uit de tot dit verstelorgaan behorende cilinder, dan zal de met dit 35 verstelorgaan 26 gekoppelde doseerschuif 23 langs het wand-deel om de hartlijn 21 neerwaarts vêrzwenken (gerekend vanaf de stand volgens figuur 3). De bij de betreffende doseerschuif behorende doseeropening zal hierbij geheel of gedeel- 8701715 < 8 'η telijk afgedekt worden. Aldus is het mogelijk de werkzame grootte van de doseeropeningen 22 te wijzigen. Hierbij kan de werkzame grootte van elk van de doseeropeningen onafhankelijk van de andere doseeropeningen geregeld worden. Bij deze ver-5 stelling van één of meer doseerschuiven wijzigt de stand van de strippen 28 niet.
Indien het hydraulisch verstelorgaan 30 zodanig wordt bekrachtigd dat zijn zuigerstang in de richting van de • verstelorganen 26 uittreedt, zullen de strippen 28 om de 10 scharnieras 29 neerwaarts verzwenken. Hierbij zal de koppelas 27, gezien in figuur 3,. om de hartlijn van de scharnieras 29 een cirkelboog beschrijven. De onderlinge opstelling en dimensionering is zodanig dat bij de genoemde verstelling van het verstelorgaan 30 de hydraulische verstelorganen 26 als 15 één geheel versteld zullen worden, waardoor alle doseerschuiven 23 om de hartlijn 21 neerwaarts verzwenken. Hierbij zullen de doseeropeningen 22 alle geheel of gedeeltelijk afgesloten worden. Door middel van bekrachtiging van het verstelorgaan 30 is het derhalve mogelijk om alle doseer-20 schuiven 23 tegelijkertijd te bedienen. Het is uiteraard ook mogelijk om het verstelorgaan 30 en één of meer der verstelorganen 26 gelijktijdig te bekrachtigen, zodat alle doseerschuiven 23 tegelijkertijd en tevens in verschillende mate om de hartlijn 21 zullen verzwenken.
25 In het doseerdeel 17 is een kast 33 aangebracht, waarin overbrengingsorganen zijn gelegen, bestaande uit een worm 34 en wormwiel 35. De kast 33 is bevestigd aan een neerwaartse uitstulping 36, die is gevormd in het wanddeel 19 van het doseerdeel 17 (figuur 3). De kast 33 en het worm en 30 wormwiel zijn zodanig aangebracht, dat een vlak 37 dat de hartlijn van de worm 35 en het midden van het wormwiel 35 bevat, samenvalt met de draaiingsas 11. Het vlak 37 ligt hierbij midden tussen de, in dit uitvoeringsvoorbeeld, zes doseeropeningen 22. Het wormwiel 35 is gekoppeld met een zich 35 aan weerszijden van de kast 33 uitstrekkende as 38. De hartlijn van de as 38 valt samen met de hartlijn 21. Vast met de as 38 zijn verbonden een aantal doorstroomorganen in de vorm van doseerschijven 39. Het aantal doseerschijven 39 is gelijk 87017(5 9 * aan het aantal doseeropeningen 22. De doseerschijven 39 strekken zich loodrecht op de as 38 uit en worden gevormd door plaatvormige schijven die aan de buitenomtrek zijn voorzien van puntvormige uitsteeksels 40 (figuur 3). De doseer-5 schijven 39 strekken zich, zoals in het bijzonder uit figuur 4 blijkt, voor het midden van de langwerpige doseeropeningen 22 uit. De worm 34 is vast bevestigd aan een as 71, die zich vanaf het verspreidorgaan 12 met het boveneinde in het doseerdeel 17 en in de kast 33 uitstrekt, een en ander zoals 10 in het bijzonder blijkt uit figuur 3. De diameter van de doseerschij ven 3 9 is zodanig dat de uiteinden van de uitsteeksels 41 tot nabij de binnenzijde van het wanddeel 18 en tot nabij de doseeropeningen 22 reiken.
De doseerschuiven 23 met de verstelorganen 26 en 15 30 en de doseerschij ven 39 met hun aandrijving vormen met het doseerdeel 17 een doseerinrichting 40. Deze doseerinrichting is in zijn geheel verdraaibaar om de draaiingsas 11 van het verspreidorgaan 12. Het doseerdeel 17 is hiervoor op niet nader weergegeven wijze draaibaar ten opzichte van het boven-20 deel 15 van de voorraadbak 5 in de machine aangebracht. De bovenrand 42 van het doseerdeel 17 ligt hiervoor met enige speling om de buitenzijde van de onderrand 16 van het bovendeel 15 van de voorraadbak 5. Verstelling van de doseerinrichting 40 om de draaiingsas 11 is moge lijk door middel 25 van een hydraulisch verstelorgaan 46. Het verstelorgaan 46 is met één einde bevestigd aan een vast aan de bovenrand 42 bevestigd oor 43 en met het andere einde aan een vast aan het bovendeel 15 van de voorraadbak 5 bevestigd oor 44. De uiteinden van het verstelorgaan 46 zijn hierbij scharnierend met 30 de oren 43 en 44 verbonden om scharnierassen die zich evenwijdig uitstrekken aan de draaiingsas 11. Door bekrachtiging van het hydraulische verstelorgaan 46 is de doseerinrichting 40 om de draaiingsas 11 ten opzichte van het gestel 1 en het bovendeel 15 van de voorraadbak 5 verstelbaar. Het hydrau-35 lisch verstelorgaan 46 kan worden bediend vanaf de bestuur-derszitplaats van de trekker of dergelijk voertuig. Op deze wijze is het mogelijk om de stroomrichting waarin het materiaal tijdens bedrijf uitgestrooid wordt om de draaiingsas 11 8701715 f 10 te verplaatsen. De uitstrooirichting van het materiaal wordt namelijk in grote mate bepaald door de ligging van de doseeropeningen om de draaiingsas 11 van het verspreidorgaan 12.
5 Onder het verspreidorgaan 12 is nabij de onder zijde van het leger 10 een, in doorsnede hoekvormige draag-beugel 50 aangebracht. Aan de draagbeugel 50 zijn een aantal meetorganen 54 aangebracht, die electromagnetische en/of geluidsgolven kunnen uitzenden. De meetorganen 54 vormen 10 aldus zendorganen voor het uitzenden van golven. De meetorganen liggen, zoals in het bijzonder uit figuur 6 blijkt, scheef opgesteld, een en ander zodanig dat de hartlijnen 51 van deze zendorganen zijn gelegen op een denkbeeldig conisch vlak dat zich van onder naar boven toe verwijdend uitstrekt 15 en met de punt van het conische vlak op de draaiingsas 11 is gelegen. De ligging van de hartlijnen 51 is zodanig dat deze een vlak 52 snijden dat de bovenzijde van een plaatvormig deel 53 van het verspreidorgaan 12 bevat en in dit uit-voeringsvoorbeeld zich loodrecht uitstrekt op de draaiingsas 20 11. De snijpunten 55 van de hartlijnen 51 met het vlak 52 liggen buiten de omtrek van het verspreidorgaan 12. Deze snijpunten 55 liggen hierbij op een denkbeeldige cirkel 56 die concentrisch is gelegen om de draaiingsas 11. In dit uitvoeringsvoorbeeld zijn acht meetorganen 56 aangebracht, 25 die op gelijke afstanden van elkaar verdeeld om de draaiingsas 11 zijn gelegen. Naast elkaar gelegen meetorganen liggen hierbij over een hoek 57 verdraaid om de draaiingsas 11 ten opzichte van elkaar, waarbij de hoek 57 in dit uitvoeringsvoorbeeld 30° is. De hartlijnen van de twee buitenste 30 meetorganen 54 liggen hierbij over een hoek 58 van ongeveer 210® ten opzichte van elkaar om de draaiingsas 11 verdraaid.
Voor de aandrijving van het verspreidorgaan 12 is onder het verspreidorgaan 12 een frictiewiel 61 aangebracht. De omtrek van het frictiewiel 61 is voorzien van een enigs-35 zins flexibele ring 62 uit bijvoorbeeld rubber of kunststof. De ring 62 ligt onder spanning tegen de onderzijde van het plaatvormig deel 53 van het verspreidorgaan 12. Het plaatvormig deel 53 strekt zich althans met de onderzijde lood- 8701715 11 ί recht op de draaiingsas 11 van het verspreidorgaan 12 uit.
Het frictiewiel 61 is door middel van spiegleufverbindingen van de aandrijfas 9 en de boring waarmede het frictiewiel om de as 9 is aangebracht, draaivast met de as 9 doch verschuif-5 baar in de lengterichting van de as 9 daarmede verbonden. Draaibaar ten opzichte van de naaf van het frictiewiel 61 is een stuurring 63 aangebracht. De stuurring 63 is voorzien van twee pennen 64, die diametraal tegenover elkaar liggen en reiken in sleuf gat en 65 van een gaffel 66 van een stuurarm 10 67. De stuurarm 67 is door middel van een evenwijdig aan de draaiingsas 11 gelegen schamieras 70 scharnierend gekoppeld met een deel van het gestel 1 (figuur 5). Tussen de stuurarm 67 en het gestel 1 is een verstelorgaan 68 aangebracht, dat in dit uitvoeringsvoorbeeld een hydraulisch verstelorgaan is.
15 Het verstelorgaan 68 is met één einde scharnierbaar verbonden met het gestel 1 en met het andere einde scharnierbaar gekoppeld met de stuurarm 67. Het verstelorgaan 68 vormt een dubbelwerkend hydraulisch verstelorgaan. Hierbij is het cilindervormige gedeelte van het verstelorgaan 68 door middel 20 van leidingen 69 op niet nader weergegeven wijze verbonden met een besturingsmechanisme voor het verstelorgaan 68.
Het verspreidorgaan 12 is met de draagbus 13 draaibaar gelegerd in het leger 10. Deze legering is zodanig dat het verspreidorgaan ten opzichte van het leger 10 enigs-25 zins in hoogterichting kan bewegen. De draagbus 13 is hiervoor verschuifbaar in een bus 72 aangebracht, die van een uitkragende ring 73 is voorzien, die tegen de onderzijde van het leger 10 rust. Tussen de ring 73 en een aan de onderzijde van de naaf 71 aangebrachte steunring 74 is een verend 30 mechanisme in de vorm van schotelveren 75 aangebracht. Deze schotelveren trachten de afstand tussen de ring 73 en de steunring 74 zo groot mogelijk te houden. De steunring 74 is door middel van een schroefbout 76 enigszins ten opzichte van het ondereinde van de draagbus 13 te verstellen. De schroef-35 bout 76 is hierbij aangebracht binnen een van schroefdraad voorzien gat in de draagbus 13. In de bovenzijde van het van schroefdraad voorziene gat van de draagbus 13 is de as 71 aangebracht, een en ander zoals in het bijzonder blijkt uit 8701715 * 12 'Tl figuur 6. De schroefdraadverbinding tussen de as 71' en de draagbus 13 is zodanig dat de as 71 tijdens bedrijf draaivast met het verspreidorgaan 12 is verbonden. De plaat 53 van het verspreidorgaan 12 is in het midden versterkt door een ver-5 stijvingsplaat 78. De verstijvingsplaat 78 strekt zich vanaf de as 71 uit tot aan de het dichtst bij de draaiingsas 11 gelegen einden van tot het verspreidorgaan 12 behorende werpschoepen 79. De werpschoepen strekken zich vanaf de omtrek van de verstijvingsplaat 78 tot nabij de omtrek van de 10 plaat 53 uit. De lengte van de schoepen, gerekend in radiale richting vanaf de as 11, is hierbij ongeveer even groot als de straal van de verstijvingsplaat 78.
Voor het gebruik van de machine wordt deze aan de hefinrichting 3 van een trekker 4 of dergelijk voertuig 15 gekoppeld, zoals in de figuren 1 en 2 is weergegeven. Hierbij wordt de aandrijfas 9 door middel van een tussenas met de aftakas van de trekker gekoppeld.
Het te verspreiden materiaal wordt via de voor-raadbak 5 aan het verspreidorgaan 12 toegevoerd. Het ver-20 spreidorgaan 12 wordt tijdens bedrijf in rotatie gebracht in de richting volgens de pijl 80. De rotatie van het verspreidorgaan in de richting volgens de pijl 80 om de draaiingsas 11 wordt verkregen via het frictiewiel 61, dat onder spanning tegen de onderzijde van de plaat 53 van het verspreidorgaan 25 12 aanligt. Het frictiewiel 61 wordt vanaf de aftakas van de trekker 4 door middel van de aandrijfas 9 aangedreven. De spanning waarmede de onderzijde van het plaatvormig deel 53 van het verspreidorgaan 12 tegen de omtrek van het frictiewiel 61 aan ligt kan ingesteld worden door de schroefbout 76 30 meer of minder in het draadgat van de draagbus 13 te draaien.
Hierdoor wordt de afstand tussen de ring 73 en de steunring 74 bepaald, waardoor de spanning van de schotelveren 75 op de steunring 74 en daarmee van het verspreidorgaan 12 tegen de omtrek van het frictiewiel 61 wordt bepaald. De spanning 35 tussen de omtrek van het frictiewiel 61 en het verspreidorgaan 12 zal bij voorkeur zodanig gekozen worden dat tijdens normaal bedrijf geen slip tussen het frictiewiel en het verspreidorgaan zal optreden. Hiervoor bestaat de omtreksring 8701715 13 62 bij voorkeur uit een enigszins veerkrachtig antis lip materiaal. De verstijvingsplaat 78 verstijft de plaat 53 zodanig dat een scheefdrukken van de plaat 53 ten opzichte van de as 11, onder invloed van de kracht waarmede het frietiewiel 5 tegen de plaat 53 rust, tegengegaan wordt. De snelheid waarmee het verspreidorgaan in de richting volgens de pijl 80 om de draaiingsas 11 verdraaid kan worden, is regelbaar door het verschuiven van het frictiewiel 61 in de lengterichting van de aandrijfas 9. De as 9 strekt zich loodrecht op de draai-10 ingsas 11 uit. Bij een bepaald toerental van de aandrijfas 9 zal, door het verschuiven van het frictiewiel 61 in de richting van de draaiingsas 11, de snelheid waarmee het verspreidorgaan 12 om de draaiingsas 11 wordt aangedreven, vergroot. Een verlaging van de draaisnelheid van het ver-15 spreidorgaan kan verkregen worden door het frictiewiel verder van de draaiingsas 11 af te brengen. De diameter van het verspreidorgaan 12 en de afstand waarover het frictiewiel in radiale richting ten opzichte van de draaiingsas 11 verplaatst kan worden over de aandrijfas 9 wordt bij voorkeur 20 zodanig gekozen dat het toerental van het verspreidorgaan althans tussen de 200 en 1000 omw/min gekozen kan worden. In het weergegeven uitveeringsvoorbeeld, waarbij de diameter van het verspreidorgaan 12 ongeveer 80 cm bedraagt, is het toerental van het verspreidorgaan regelbaar van 200 tot 600 25 omwentelingen per minuut. Verschuiving van het frictiewiel 61 over de aandrijfas 9 is mogelijk via de stuurarm 67. De stuurarm 67 kan hiervoor door middel van het hydraulische verstelorgaan 68 versteld worden om de scharnieras 70 ten opzichte van het gestel 1. De draaisnelheid van het ver-30 spreidorgaan 12 bepaalt in grote mate met welke kracht het materiaal wordt uitgestrooid. Deze kracht bepaalt over welke afstand het materiaal door het verspreidorgaan kan worden weggeworpen. De draaisnelheid van het verspreidorgaan 12 bepaalt hierbij de werkbreedte waarover het materiaal tijdens 35 bedrijf kan worden verspreid. Bij voorkeur wordt tijdens normaal bedrijf, waarbij de machine in de richting A wordt voortbewogen, het materiaal over een breedte uitgestrooid, die zich aan weerszijden van het middenvlak 86, dat de 8701715 * 14 langshartlijn van de machine bevat, even ver uitstrekt. Naast de draaisnelheid bepalen ook de soort materiaal en de vorm van het verspreidorgaan 12 met de werpschoepen 79 de afstand waarover het materiaal door het verspreidorgaan bij een be-5 paalde snelheid kan worden weggeworpen. Hierbij zijn bijvoorbeeld van belang de grootte en het gewicht van de korrels van het materiaal dat verspreid moet worden. Voor elke soort materiaal zal hierom bij voorkeur een ijking plaatsvinden, over welke afstand het materiaal kan worden uitgestrooid bij 10 de verschillende snelheden waarmee het verspreidorgaan in rotatie gebracht kan worden. Bij voorkeur worden het verspreidorgaan zodanig uitgevoerd en de te kiezen draaisnelheden daarvan zodanig gekozen dat het materiaal naar keuze over een effektieve werkbreedte van ongeveer 10 - 36 m uitge-15 strooid kan worden.
De hoeveelheid materiaal die per tijdseenheid moet worden uitgestrooid, is regelbaar door de uitstroming van het materiaal uit de voorraadbak 5 via de doseeropeningen 22 te regelen. De grootte van de doseeropeningen is zodanig gekozen 20 dat de maximale gewenste hoeveelheden materiaal per tijdseenheid uit de voorraadbak 5 kunnen stromen en aan het verspreidorgaan kunnen worden toegevoerd. In het bijzonder door de puntvormige, laaggelegen einden van de doseeropeningen kan de gezamenlijke doorlaatgrootte van de doseeropeningen 22 25 zodanig klein gekozen worden dat ook de gewenste geringste hoeveelheden materiaal die per tijdseenheid aan het verspreidorgaan moeten kunnen worden toegevoerd, instelbaar zijn. De vrije doorlaatgrootte van de doseeropeningen 22 is instelbaar door het meer of minder afdekken van de doseer-30 openingen 22 door de doseerschuiven 23 via de verstelorganen 26 en/of 30.
In afhankelijkheid van de plaats waar het materiaal aan het verspreidorgaan wordt toegevoerd en de diameter en de uitvoering van het verspreidorgaan, wordt het te ver-35 spreiden materiaal over een bepaalde hoek om de draaiingsas 11 door het verspreidorgaan weggeworpen. Deze hoek kan, bij een bepaalde constructie van het verspreidorgaan, in afhankelijkheid van de wijze van toevoer van het materiaal aan het 8701715 15 .. . a verspreidorgaan, gekozen worden. In dit uitvoeringsvoorbeeld is het verspreidorgaan 12 zodanig gevormd en wordt het te verspreiden materiaal daaraan zodanig toegevoerd dat het materiaal tijdens normaal bedrijf over ongeveer 180° om de 5 draaiingsas 11 door het verspreidorgaan kan worden weggeworpen. De ligging van deze hoek van 180° is in dit uitvoeringsvoorbeeld zodanig gekozendat de buitenste strooilijnen van de waaier waarover het materiaal uitgestrooid wordt zich loodrecht op de voortbewegingsrichting A uitstrekken. Hierbij 10 zal de ene buitenste strooilijn zich aan de ene zijde van de machine uitstrekken volgens de lijn 81 en d e andere buitenste strooilijn aan de andere zijde volgens de lijn 82. De punten 83 en 84, waarin de buitenste strooilijnen 81 en 82 aan de omtrek van het verspreidorgaan ontstaan, liggen hier-15 bij diametraal tegenover elkaar ten opzichte van de draaiingsas 11. Het materiaal zal hierbij over een strooihoek 85 van 180° tussen de punten 83 en 84 de omtrek van het verspreidorgaan verlaten tijdens het bedrijf van de machine, en wel over die 180° die in de draairichting 80 van het punt 83 20 naar het punt 84 verloopt. Om de uitstrooiing over de strooihoek 85 te verkrijgen, liggen de doseeropeningen 22 om een bepaalde wijze verdraaid ten opzichte van deze strooihoek 85. Enigszins in afhankelijkheid van de soort materiaal die verspreid moet worden, zullen de doseeropeningen 22 over een 25 bepaalde hoek tegengesteld aan de richting 80 van het punt 83 verdraaid liggen. Voor het uitstrooien van de meeste soorten kunstmest, waarvoor de machine in hoofdzaak is bestemd, zullen de doseeropeningen 22 over zodanige hoek verdraaid liggen tegengesteld aan de richting 80 vanaf het punt 83, dat het 30 vlak 37 dat tussen het midden van de zes doseeropeningen 22 is gelegen, aan de andere zijde van het middenvlak 86 is gelegen dan het punt 83. In dit uitvoeringsvoorbeeld is de hoek 87 tussen het vlak 86 en het vlak 37 ongeveer 45°. Het punt 83 ligt hierbij ongeveer 20° om de draaiingsas 11 van 35 het vlak 86 verdraaid. In afhankelijkheid van de soort materiaal die moet worden uitgestrooid, kan de hoek 87 iets groter of kleiner zijn. Deze hoek is mede afhankelijk van de afstand waarover de doseeropeningen gemiddeld vanaf de 8701715 16 draaiingsas liggen en van de diameter van het verspreid-orgaan. In dit uitvoeringsvoorbeeld is de diameter van het verspreidorgaan ongeveer 80 cm. Bij voorkeur is de diameter 88 groter dan 60 cm en kleiner dan ongeveer 130 cm. Voor het 5 bereiken van de uitstrooihoek 85 van ongeveer 180° liggen de doseeropeningen 22 verdeeld over een hoek 89 om de draaiingsas 11. Deze hoek 89 is kleiner dan 180° en in dit uitvoeringsvoorbeeld ongeveer 150°. De verdeling van het aan het verspreidorgaan toestromend materiaal over de hoek 89, is 10 mede bepalend voor de verdeling van het materiaal over de strooiwaaier 90 binnen de strooilijnen 81 en 82. De verdeling van het materiaal over de hoek 89 is regelbaar door de door-laatgrootte van de doseeropeningen 22 afzonderlijk van elkaar te kunnen regelen.
15 Ter controle van de stroomrichting en de verdeling van het materiaal over de uitstrooihoek 85, respectievelijk de strooiwaaier 90, zijn de meetorganen 54 aangebracht. Deze organen 54 omvatten zendorganen voor het uitzenden van elec-tromagnetische en/of geluidsgolven. Tijdens bedrijf van de 20 machine worden deze golven door elk zendorgaan in hoofdzaak evenwijdig aan de hartlijnen 51 uitgezonden in de richting volgens de pijl 108. Het centrum van deze golven snijdt het vlak 52, waarin het materiaal het verspreidorgaan zal verlaten, in de punten 55 (figuren 1 en 2). De korrels die in 25 het vlak 52 worden uitgestrooid en de punten 55 passeren, zullen de geluidsgolven weerkaatsen, waarbij de geluidsgolven teruggekaatst worden in de richting van de meetorganen 54. Deze meetorganen 54 omvatten elk tevens een ontvangorgaan voor het ontvangen van de door de materiaalkorrels terug-30 gekaatste golven. In afhankelijkheid van de intensiteit en de verdeling van het materiaal over de waaier waarover het uitgestrooid wordt, zullen meer of minder uitgezonden golven teruggekaatst worden. Deze grotere of kleinere terugkaatsing wordt volgens de uitvinding gebruikt als indicatie voor de 35 stroomrichting en/of de verdeling van het materiaal over de strooiwaaier tussen de strooilijnen 81 en 82 en/of de hoeveelheden materiaal die per tijdseenheid wordt uitgestrooid. De in dit uitvoeringsvoorbeeld acht meetorganen 54 zijn zoda- 8701715 4 17 nig aangebracht dat de buitenste twee van de om de draai-ingsas gelegen strooiorganen de golven uitzenden die in punten het vlak 52 snijden, die buiten de door de stroomlijnen 81 en 82 begrensde strooiwaaier 90 zijn gelegen. De 5 overige, in dit uitvoeringsvoorbeeld zes, meetorganen 54 zullen golven uitzenden in de richting van het vlak 52 binnen de uitstrooiwaaier 90. Hierbij zullen de golven tijdens het uitstrooien van materiaal meer of minder weerkaatst worden en worden teruggezonden naar de meetorganen 54 die voor deze 10 terugekaatste golven tevens een ontvangorgaan omvatten. De intensiteit van terugzending van de golven naar de organen 54 is afhankelijk van de strooidichtheid van het materiaal in de waaier 90 ter plaatse van de betreffende punten 55. De in de organen 54 terugontvangen golven kunnen electrische span-15 ningen of stromen opwekken die doorgegeven kunnen worden aan met de meetorganen 54 gekoppelde en tot de meetorganen behorende apparatuur. Daar de opgewekte spanningen of stromen in elk van de ontvangorganen 54 afhankelijk is van de teruggekaatste golven, kunnen deze spanningen of stromen een weer-20 gave geven van de dichtheid van het materiaal in de strooiwaaier ter plaatse van de betreffende punten 55 in een bepaalde tijdsperiode.
In figuur 7 is een uitvoeringsvoorbeeld weergegeven van een afleesinrichting 91, waartoe tevens een schake-25 lingen omvattende apparatuur behoort, die bestemd is voor de uitwerking van de van de ontvangers van de organen 54 ontvangen informatie. De afleesinrichting 91 is door middel van een bekabeling 92 verbonden met de meetorganen 54 en met behulp van hydraulische leidingen 93 verbonden met de hydrau-30 lische verstelinrichtingen 26, 30, 46 en 68 van de machine.
De afleesinrichting 91 is op niet nader weergegeven wijze voorzien van middelen waarmede zij losneembaar aan een steun of ander middel aangebracht kan worden dat zich nabij de bestuurderszitplaats van de trekker of ander dergelijk voer-35 tuig dat de machine voortbeweegt bevindt. De bestuurder kan aldus tijdens bedrijf de door de afleesinrichting 91 weergegeven informatie direct waarnemen en aan de hand daarvan zo nodig verschillende organen van de machine verstellen. Hier- 8701715 18 bij kan, bij wijze van voorbeeld, als volgt te werk worden gegaan, uitgaande van het feit dat het gewenst is dat de uitstrooiing van het materiaal geschiedt over de strooier-waaier 90. Indien het materiaal bijvoorbeeld enigszins ver-5 draaid ten opzichte van de weergegeven strooiwaaier 90 om de draaiingsas 11 wordt uitgestrooid, zullen bijvoorbeeld de door een van de buitenste organen 54A of 54B uitgezonden golven het vlak 52 snijden binnen deze verdraaid gelegen strooiwaaier. Hierbij zal dan een van de buitenste organen 10 54A of 54B de uitgezonden golven teruggekaatst krijgen door uitgestrooid materiaal. Deze teruggekaatste golven geven aan het betreffende orgaan 54A of 54B een signaal dat doorgegeven wordt aan de afleesinrichting 91. De afleesinrichting 91 heeft een venster 94 dat verdeeld is in een aantal vakken 15 gelijk aan het aantal organen 54, in dit uitvoeringsvoorbeeld dus 8 vakken. Elk van deze vakken geeft in digitale vorm een aanwijzing die in relatie staat tot de terugontvangen weerkaatste uitgezonden golven, dus in afhankelijkheid van de strooidichtheid ter plaatse van het betreffende punt 55. 20 Geven de buitenste twee vakken, zoals in figuur 7 is weergegeven, een nul weer, dan is dit een indicatie dat de buitenste organen 54A en 54B golven uitzenden die niet door mate-riaaldelen ter plaatse van de punten 55A en 55B worden weerkaatst. Een verdraaid gelegen strooiwaaier veroorzaakt in één 25 van de buitenste vakken van het venster 94 een verandering van het getal "0" in een ander getal. Dit is een aanwijzing dat de strooiwaaier 90 niet ligt zoals in de figuur 2 is weergegeven, en desgewenst naar deze ligging terugverdraaid moet worden. Dit kan gedaan worden door verdraaiing van de 30 doseerinrichting 40 om de draaiingsas 11 door middel van het verstelorgaan 46. Deze terugverdraaiing zal zo ver worden doorgevoerd totdat de beide buitenste vakken van het venster 94 weer een "0" aangeven. Indien de strooiwaaier juist is gelegen, bijvoorbeeld overeenkomend met figur 2, dan zal 35 materiaal over de gehele strooiwaaier 90 verdeeld worden uitgestrooid. Elk van de organen 54, behalve de buitenste organen 54A en B, zal dan uitgezonden golven teruggekaatst krijgen. Deze teruggekaatste golven geven in de met de 8701715 19 betreffende organen overeenkomende vakken van het venster 94 een indicatie. Indien de terugkaatsing van de golven geschiedt in overeenstemming met de gewenste verdeling van het materiaal over de strooiwaaier, dan geeft elk van de 5 organen 54 in het betreffende vak van het venster 94 een bepaalde digitale indicatie weer, die in dit uitvoerings-voorbeeld wordt weergegeven door een "5". Wordt in een of meer van de betreffende vakken van het venster 94 niet deze bepaalde indicatie gegeven, dan is dat een aanwijzing dat het 10 materiaal niet verdeeld over de waaier 90 wordt uitgestrooid zoals dat gewenst is. Deze indicaties "5" voor een gewenste verdeling kunnen ook anders gekozen worden.
Het aantal organen dat het materiaal in de strooiwaaier 90 meet, komt overeen met het aantal doseeropeningen 15 22. In het weergegeven uitvoeringsvorbeeld meten zes organen 54 binnen de strooilijnen 81 en 82 en corresponderen daarmee met de zes doseeropeningen 22. De ligging van de doseeropeningen over de toevoerhoek 89 van het materiaal om de draaiingsas 11 staat in een zekere relatie met de verdeling 20 van het materiaal over de strooiwaaier 90 binnen de strooilijnen 81 en 82. De doseeropeningen 22C - 22H staan aldus in een bepaalde relatie met de organen 54C - 54H. Het door de doseeropening 22C aan het verspreidorgaan toegevoerde materiaal zal namelijk voor een groot deel ter plaatse van de 25 strooiwaaier uitgestrooid worden waar de door het orgaan 54C uitgezonden golven het vlak 52 snijden. Veel van het in opvolgende volgorde via de doseeropeningen 22D -22H aan het verspreidorgaan 12 toegevoerde materiaal zal in de strooiwaaier 90 bewegen ter plaatse waar de door de opvolgende 30 organen 54D - 54H uitgezonden golven het vlak 52 snijden.
Indien nu in de betreffende vakken van het venster 94 de weergegeven indicaties bijvoorbeeld niet corresponderen met de gewenste indicatie, zoals in dit uitvoeringsvoorbeeld een "5” doch een hogere of een lagere digitale indicatie geven 35 dan is dat een aanwijzing dat te veel of te weinig materiaal in de betreffende plaats de strooiwaaier passeert. In samenhang daarmee kan met de betreffende doseerschuif 23 de betreffende doseeropening 22 meer of minder gesloten worden 8701715 κ 20 om de hoeveelheid materiaal die per tijdseenheid ter plaatse van de betreffende doseeropening aan het verspreidorgaan wordt toegevoerd te regelen. Aldus kan de verdeling van het materiaal over de strooiwaaier binnen de strooilijnen 81 en 5 82 geregeld worden. De gelijke indicatie in figuur 7 door een "5" in de verschillende vakken van het strooivenster 94, wil niet zeggen dat de verdeling van het materiaal over de strooiwaaier tussen de strooilijnen 80 - 82 zodanig is, dat de strooidichtheid over de gehele strooiwaaier gelijk is. In 10 afhankelijkheid van de wijze waarop men het materiaal wil verdelen over de strooibreedte, zal bijvoorbeeld nabij de strooilijnen 81 en 82 minder materiaal per tijdseenheid uitgestrooid kunnen worden dan bijvoorbeeld in het midden van de strooiwaaier 90. Indien bijvoorbeeld een strooibeeld gewenst 15 is waarbij in het midden van de werkbreedte waarover het materiaal uitgestrooid wordt tijdens voortbewegen van de machine, het meeste materiaal wordt uitgestrooid en vanuit het midden van deze werkbreedte gelijkmatig afneemt tot de rand van de strooibreedte, dan zal deze verdeling in 20 hoofdzaak ook over de strooiwaaier binnen de strooilijnen 81 en 82 gewenst zijn. Hierbij zullen dan bijvoorbeeld de twee middelste organen 54E en 54F meer materiaal meten per tijdseenheid dan de nabij de strooilijnen gelegen organen 54C en 54H. Ondanks dit verschil kan in het strooivenster 94 25 dezelfde indicatie zoals bijvoorbeeld de "5" aangegeven zijn. Het is ook mogelijk deze indicatie van bijvoorbeeld "1" tot "3" te laten oplopen vanaf het orgaan 54C - 54E en 54F en daarna weer te laten afnemen tot het orgaan 54H, waarbij de corresponderende vakken in het venster de betreffende indica-30 tie "1", "2" en "3" kunnen aangeven.
De verdeling van het materiaal over de strooiwaaier kan bijvoorbeeld ook zodanig ingesteld worden door de betreffende doseeropeningen 22C - 22H meer of minder af te sluiten, dat over de gehele strooiwaaier de strooidichtheid 35 ongeveer gelijk is. Hierbij kan het betreffende strooivak in het venster 94 bij gelijke indicatie aangeven dat de verdeling over de hele strooiwaaier ongeveer gelijk is. In afhankelijkheid van de gegeven indicaties in de vakken van het 8701715 21 venster 94 kunnen de doseerschuiven 23 meer of minder voor de betreffende doseeropeningen 22C - 22H geschoven worden. Deze doseerschuiven kunnen ieder bediend worden door één van de bedieningsarmen 95 die corresponderen met het betreffende vak 5 en daarmede met de betreffende opening 22.
Indien de strooiwaaier niet op de juiste plaats is gelegen om de draaiingsas 11 en één van de buitenste organen 54A of 54B daarvoor een indicatie geeft, kan de gehele doseerinrichting 4 om de draaiingsas versteld worden. Hier-10 voor is de afleesinrichting 91 voorzien van een bedieningsarm 96, die met het verstelorgaan 46 is gekoppeld. De terugkaatsing van de door de organen 54 uitgezonden golven geven ook een indicatie over de hoeveelheid materiaal die per tijdseenheid passeert. Deze indicatie geeft een aanwijzing of de 15 juiste hoeveelheid materiaal per tijdseenheid wordt uitgestrooid. Indien in zijn geheel te weinig materiaal wordt uitgestrooid, kunnen de doseerschuiven 23 gezamenlijk versteld worden door het verstelorgaan 30. Voor verstellen van het verstelorgaan 30 is de inrichting 91 voorzien van een 20 bedieningsarm 97. Voor het verkrijgen van een indicatie over de hoeveelheid materiaal die per tijdseenheid en daarmede per oppervlakte-eenheid wordt uitgestrooid, omvat de afleesinrichting 91 een optelschakeling voor de door de organen 54 opgewekte spanningen of stromen die in aanvulling op de 25 hiervoor besproken schakeling voor het vaststellen van de gelijkmatigheid over de materiaalverdeling is aangebracht. Deze optelschakeling geeft een meetresultaat dat een maat is voor de totale hoeveelheid uitgestrooide materiaal per tijdseenheid. Aan de hand hiervan is door middel van de 30 bedieningsarm 97 het verstelorgaan 30 te bedienen. Voor deze optelschakeling kan voor een bepaalde kunstmestsoort een ijking uitgevoerd zijn, zodanig dat het gemeten meetresultaat door de organen 54 op de juiste wijze is gerelateerd aan de hoeveelheid materiaal die per tijdseenheid wordt uitge-35 strooid. Deze hoeveelheid materiaal geeft verder in afhankelijkheid van de breedte waarover het materiaal wordt uitgestrooid een indicatie over het aantal kilogrammen dat per hectare wordt uitgestrooid bij een bepaalde rijsnelheid. Het 8701715 22 meetorgaan 91 heeft een venster 98 waarin het aantal kilogrammen per hectare aangegeven kan worden dat uitgestrooid wordt. In figuur 7 is als voorbeeld een uitstrooiing van 480 kg/ha aangegeven. Voor het verkrijgen hierbij van de relatie 5 tot de rijsnelheid is het de machine voortbewegende voertuig voorzien van indicatiemiddelen 99 en 100 die respectievelijk zijn aangebracht aan bijvoorbeeld een wiel en het gestel van de trekker. Deze indicatiemiddelen 99 en 100 geven een indicatie over de voortbewegingssnelheid van de machine, zodat 10 met deze indicatie en de bekende strooibreedte het aantal kilogrammen per hectare berekend kan worden. Voor deze berekening omvat de inrichting eveneens de benodigde schakelingen.
In dit uitvoeringsvoorbeeld van de machine volgens 15 de uitvinding is de snelheid van het verspreidorgaan 12 te regelen. Hierdoor is de uitstrooibreedte van het strooiorgaan regelbaar. De rotatiesnelheid van het verspreidorgaan 12 is afhankelijk van de afstand van de frictieschijf 61 tot de draaiingsas 11. De ligging van de frictieschijf 61 en daar-20 mede de stand van het verstelorgaan 68 voor de frictieschijf 61, geven een indicatie over de werkbreedte van de machine. Deze werkbreedte kan in het venster 101 weergegeven worden. In dit uitvoeringsvoorbeeld is als voorbeeld een effectieve werkbreedte van 24 meter weergegeven. De werkbreedte is bij 25 een bepaalde draaisnelheid van het verspreidorgaan 12 afhankelijk van de soort materiaal, waarvoor van te voren een ijking gemaakt kan worden. Aldus kunnen voor de betreffende toerentallen van het verspreidorgaan 12 de betreffende strooibreedten door de afleesinrichting gegeven worden. Ver-30 groting of verkleining van de strooibreedte is mogelijk door verplaatsing van de frictieschijf 61 over de aandrijfas 9. De instelling van het verstelorgaan 68 en de frictieschijf 61 ten opzichte van het verspreidorgaan 12 voor het verkrijgen van het gewenste toerental van het verspreidorgaan gaan uit 35 van een vaste waarde van het toerental van de aandrijfas 9. De verplaatsing van de frictieschijf 61 over de as 9 is mogelijk door het verstelorgaan 68. Hiervoor is aan de inrichting 91 een bedieningsarm 102 aangebracht, die met het 870 17 15 23 verstelorgaan 68 is gekoppeld* Daar de strooibreedte in relatie tot de rijsnelheid van de machine en de hoeveelheid materiaal die per tijdseenheid door het verspreidorgaan wordt uitgestrooid een resultaat geeft voor de hoeveelheid kilo-5 grammen die per oppervlakte-eenheid worden uitgestrooid, heeft het mechanisme 91 een schakeling die in relatie tot de genoemde waarden het aantal kilogrammen per hectare kan berekenen dat in het venster 98 wordt weergegeven. De inrichting 91 heeft een bekabelingsaansiuiting die gekoppeld is met de 10 indicatiemiddelen 99 en 100 en een hydraulische aansluiting die gekoppeld is met het hydraulisch bedieningsorgaan 68.
Hoewel in dit uitvoeringsvoorbeeld een veelheid van verstelorganen met meetorganen en schakelingen in combinatie met elkaar is weergegeven, is het ook mogelijk slechts 15 één of meerdere van deze verstelorganen met bijbehorende meetorganen en schakelingen te gebruiken. Zo kan bijvoorbeeld een combinatie van een deel van de genoemde verstelorganen met bijbehorende electronische meetorganen toegepast worden zonder dat bijvoorbeeld de werkbreedte veranderbaar is door 20 het veranderen van de rotatiesnelheid van het strooiorgaan 12.
In figuur 8 is een alternatieve uitvoeringsvorm van de in figuur 7 afgebeelde afleesinrichting weergegeven. Deze afleesinrichting 106 heeft, evenals het voorgaande uit-25 voeringsvoorbeeld, overeenkomende vensters 94, 98, 101 die dienen voor het aangeven van dezelfde grootheden en daarom met dezelfde verwijzingscijfers zijn aangegeven. In het uitvoeringsvoorbeeld volgens figuur 8 zijn echter geen bedie-ningsarmen aangegeven voor het bedienen van de verschillende 30 verstelorganen 26, 30, 46 en 68. In dit uitvoeringsvoorbeeld is de afleesinrichting 106 voorzien van een aantal toetsen 107. Via deze toetsen 107 is in de schakelingen van de meetorganen in te voeren wat de gewenste grootheden zijn voor de ligging van de strooiwaaier, voor de verdeling van het 35 materiaal over de strooiwaaier en voor de aantal kilogrammen die per hectare worden uitgestrooid bij een bepaalde strooibreedte. De ingetoetste waarde van elke grootheid kan in het betreffende venster worden weergegeven. De ingetoetste waar- 8701715 24 den worden in een analoge waarde als spanning of stroom omgezet en vergeleken met de meetresultaten van de betreffende organen, bijvoorbeeld de organen 54, respectievelijk de rijsnelheid van de inrichting en de stand van het verstel-5 orgaan 68. Een verschilspanning of een verschilstroom tussen de werkelijke en de gewenste waarde van de betreffende indicatie wordt na versterking toegepast voor het aandrijven van bijvoorbeeld een kleine stappenmotor die de betreffende ver-stelorganen verstelt, welke overeenstemmen met de bijbehoren-10 de organen 54 zodat de verschilspanning of verschilstroom weer 0 wordt. Op dezelfde wijze wordt een ingetoetste waarde voor de totale hoeveelheid uit te strooien materiaal per oppervlakte-eenheid in analoge vorm gebracht, waarbij een verschil met het resultaat van de hiervoor genoemde optel-15 schakeling eveneens bijvoorbeeld door middel van een stappenmotor of verstelling van de hydraulische schuif wordt omgezet ter verstelling van het verstelorgaan 30. Dit kan op dezelfde wijze doorgevoerd worden voor het verstellen van het verstelorgaan 68 voor het verkrijgen van de gewenste draaisnel-20 heid van het verspreidorgaan.
De indicatiemiddelen 99 en 100 voor het meten van de rijsnelheid van de trekker en daarmede van de machine, bestaan bijvoorbeeld uit een inductieve opnemer 99, die nabij de omtrek van een wielvelg van de trekker is opgesteld op een 25 op zichzelf bekende wijze. Een uitgangsspanning of stroom, die van de in de opnemer 99 opgewekte impulsen is afgeleid, is zodanig in de hiervoor genoemde schakelingen opgenomen, dat de optredende of ingetoetste waarde van de bij normsnel-heid gewenste hoeveelheid uit te strooien materiaal per 30 oppervlakte-eenheid automatisch in evenredigheid met het quotiënt van de werkelijke snelheid en de normsnelheid wordt gecorrigeerd.
Als alternatieve uitvoeringsvorm kan de machine zijn voorzien, in plaats van zend- en ontvangorgaan 54, van 35 zend- en ontvangorganen 110 zoals in de figuren 9, 10 en 11 is weergegeven. De zend- en ontvangorganen 110 zijn aangebracht aan een kap 111 die door middel van armen 112 aan de voorraadbak 5 is bevestigd. Onder het verspreidorgaan is een 8701715 25 kap 113 aangebracht die een omtreksrand 114 heeft die bijvoorbeeld onder een hoek van ongeveer 45° ten opzichte van het te bestrooien oppervlak is gelegen. Deze rand 114 is zodanig gelegen dat zij in verticale stand van de machine 5 verticaal is gelegen onder de zend- en ontvangorganen 110. De zend- en ontvangorganen 110 werken op dezelfde wijze als de organen 54, zodat dit niet nader zal worden weergegeven. In dit uitvoeringsvoorbeeld zullen de door de zendorganen uitgezonden golven weerkaatst worden door materiaal dat in 10 een vlak 52 wordt uitgestrooid of tegen de rand 114 afkaatsen. Indien de golven tegen de rand 114 kaatsen, worden zij door de ligging van de rand 114 zodanig afgeleid in bijvoorbeeld de richting 116 dat de golven het ontvangdeel van het orgaan 110 niet bereiken. Slechts de door het materiaal 15 weerkaatste golven geven aldus een indicatie aan de ontvanger van het orgaan 110. Deze indicaties kunnen weer op dezelfde wijze weergegeven worden in afleesorganen zoals 91 of 106 die in figuur 7 en 8 zijn weergegeven, een en ander zoals hiervoor is beschreven en daarom niet nader wordt aangegeven. De 20 organen 110 kunnen op dezelfde wijze om de draaiingsas 11 van het verspreidorgaan 10 worden opgesteld als voor de organen 54 is weergegeven, zodat ook ten aanzien hiervan geen nadere uiteenzetting nodig zal zijn. De uitzending van de golven ligt zodanig dat deze op afstand van de omtrek van het ver-25 spreidorgaan 12 zal plaatsvinden. Bij voorkeur is de afstand 115 van het punt waarop de golven het vlak 52 snijden tot de omtrek van het verspreidorgaan niet te groot en niet te klein, opdat een juiste indicatie wordt verkregen. In de weergegeven uitvoeringsvoorbeelden volgens de figuren 1 - 8 30 en 9-11 is de respectieve afstand 115 in het eerste uit-voeringsvoorbeeld iets groter dan in het tweede uitvoe-ringsvoorbeeld. Deze afstand 115 zal bij voorkeur binnen bepaalde grenzen liggen, en bijvoorbeeld niet kleiner zijn dan 5 cm en niet groter dan 50 cm. Door de door de organen 35 110 uitgezonden golven om te buigen in de richting 116 of een andere richting zodanig dat geen terugkaatsing naar de ontvanger ontstaat anders dan door het uitgestrooid materiaal, wordt een zo zuiver mogelijke indicatie verkregen door de 8701715 26 ontvangdelen van de meetorganen 110. Hierdoor kunnen de organen 110 ook dicht bij het vlak 52 opgesteld worden.
Hoewel in dit uitvoeringsvoorbeeld het vlak 52 loodrecht op de draaiingsas 11 is gelegen, kan het vlak 52 5 bijvoorbeeld ook conisch zijn. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als het verspreidorgaan een conisch plaatdeel omvat waaraan het aan het verspreidorgaan toegevoerde materiaal toestroomt en via welke het dan uitgestrooid wordt.
Met de machine volgens de uitvinding kan mate-10 riaal, in het bijzonder kunstmest of dergelijk materiaal, op gunstige wijze over een te bestrooien oppervlak verspreid - worden. De bedieningspersoon kan vanaf zijn zitplaats via de weergegeven electronische meet- en afleesapparatuur, zoals bijvoorbeeld apparatuur 91 of 106, waarnemen over welke 15 werkbreedte het materiaal door de machine wordt verspreid, welke hoeveelheid materiaal de machine per hectare uitstrooit en/of het materiaal gelijkmatig verspreid wordt en in de juiste richting wordt uitgestrooid, bijvoorbeeld of de werkbreedte aan weerszijden van de inrichting zich even ver 20 uitstrekt, respectievelijk midden achter de machine is gelegen. Indien dit gewenst wordt, kan met de inrichting ook een half strooibeeld uitgestrooid worden. Hiervoor worden bijvoorbeeld dan de helft van het aantal doseeropeningen gesloten; afhankelijk of de doseeropeningen 22C, D, E of 22F, G, 25 H gesloten worden, wordt het materiaal naar slechts de linker of rechterzijde van de machine uitgestrooid. Ook een dergelijke uitstrooiing kan door de weergegeven meetapparatuur gecontroleerd worden.
Bij gebruik van de afleesapparatuur 91 volgens 30 figuur 7 kunnen in afhankelijkheid van de waarnemingen de verschillende bedieningsorganen door de bedieningspersoon van de machine versteld worden indien dit nodig is. Bij gebruikmaking van de apparatuur volgens figuur 8 zal een en ander geheel automatisch geschieden. Hierbij kan de bestuurder toch 35 steeds nagaan of de uitstrooiing op de juiste wijze geschiedt aan de hand van de indicaties in de betreffende vensters van de afleesapparatuur. Zowel bij handbediening als automatische bediening kan de bedieningspersoon regelen over welke breedte 8701715 27 f het materiaal moet worden uitgestrooid. De hoeveelheid materiaal die per hectare moet worden gestrooid alsmede de verdeling van het materiaal over de werkbreedte en de ligging van de strooiwaaier respectievelijk de uitstrooirichtingen bij-5 voorbeeld achter de machine of naar links of naar rechts van de machine, is aldus regelbaar.
De uitstroming van het materiaal uit de voorraad-bak door de doseeropeningen naar het verspreidorgaan zal mede gestimuleerd worden door de doseerschijven 39. Deze doseer-10 schijven draaien via de aandrijving in de bak 33 in afhankelijkheid van de rotatiesnelheid van het verspreidorgaan. Op deze wijze werken de doseerschijven 39 op gunstige wijze mede om de gewenste hoeveelheid materiaal per hectare uit te strooien in afhankelijkheid van de rotatiesnelheid van het 15 verspreidorgaan. Hierbij is het gunstig dat de rotatiesnelheid van de doseerschijven 39 in relatie staat tot de draaisnelheid van het verspreidorgaan 12, die via de vertragings-overbrenging bestaande uit de worm 34 en het wormwiel 35 de doseerschijven aandrijft tijdens bedrijf van de machine.
20 De door de organen 54 respectievelijk 110 uitge zonden golven kunnen bijvoorbeeld radar, ultrasone, ultraviolette en/of infrarode golven zijn. Elke uitzending van bepaalde golven of stralen die weerkaatst kunnen worden door het te verspreiden materiaal kan op zichzelf benut worden.
25 Hoewel in dit uitvoeringsvoorbeeld de voorraadbak van zes doseeropeningen is voorzien, kan dit aantal ook anders gekozen worden. Ook kan het aantal organen, zoals de organen 54 of 110, anders gekozen worden dan in het uitvoeringsvoorbeeld is weergegeven.
30 De uitvinding is niet beperkt tot datgene wat hiervoor is beschreven doch strekt zich ook uit tot datgene wat in de figuren is weergegeven, ongeacht of dit wel of niet is beschreven.
___i 8701715
Claims (87)
1. Machine voor het strooien van materiaal, in het bijzonder korrel- en/of poedervormig materiaal zoals kunstmest, voorzien van een gestel, een voorraadbak en ten minste één aangedreven verspreidorgaan, met het kenmerk, dat 5 de machine een electronische meetinrichting voor het meten van de werkbreedte van het te verspreiden materiaal omvat.
2. Machine volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de electronische meetinrichting de draaisnelheid van het verspreidorgaan meet. '10
3. Machine voor het strooien van materiaal, in het bijzonder voor het strooien van korrel- en/of poedervormig materiaal zoals kunstmest, voorzien van een gestel, een voorraadbak en ten minste één aangedreven verspreidorgaan, met het kenmerk, dat de machine een verspreidorgaan omvat waarvan 15 de aangedreven bewegingssnelheid veranderbaar is en tijdens bedrijf meetbaar is.
4. Machine volgens conclusie 2 of 3, met het kenmerk, dat de rotatiesnelheid van een om een zich in hoogterichting uitstrekkende draaiingsas verdraaibaar verspreidorgaan meet- 20 baar is.
5. Machine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het verspreidorgaan een om een zich in hoogterichting uitstrekkende draaiingsas beweegbaar verspreidorgaan is dat een om de draaiingsas beweegbare schijf 25 omvat.
6. Machine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de electronische meetinrichting een met een wiel van een de machine ondersteunende voertuig gekoppeld contact omvat dat samenwerkt met een aan het gestel van het 30 voertuig ten opzichte van het wiel stilstaand contact.
7. Machine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het resultaat van de electronische meetinrichting wordt doorgegeven aan een afleesinrichting die nabij de zitplaats voor de bestuurder van de machine losneembaar 35 aangebracht kan worden.
8. Machine volgens een der voorgaande conclusies, met 8701715 het kenmerk, dat de electronische meting van de draaisnelheid van het verspreidorgaan geschiedt door waarneming van de plaats van een frictiewiel dat het verspreidorgaan aandrijft.
9. Machine volgens conclusie 8, met het kenmerk, dat 5 het frictiewiel aan de omtrek van een flexibel materiaal, zoals rubber en/of kunststof, is voorzien voor het aandrijven van het verspreidorgaan.
10. Machine volgens conclusie 8 of 9, met het kenmerk, dat de druk waarmede het frictiewiel tegen het verspreid- 10 orgaan aandrukt regelbaar is.
11. Machine volgens conclusie 10, met het kenmerk, dat : de druk tussen het frictiewiel en het verspreidorgaan regel baar is door het verstelbaar zijn van het verspreidorgaan ten opzichte van het frictiewiel.
12. Machine volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat het verspreidorgaan aan een draagbus is bevestigd, die in de lengterichting beweegbaar is ten opzichte van zijn legering in het gestel van de machine.
13. Machine volgens conclusie 11 of 12, met het ken-20 merk, dat het verspreidorgaan onder veerdruk beweegbaar in" zijn ondersteuning aan het gestel van de machine is aangebracht.
14. Machine volgens conclusie 13, met het kenmerk, dat het verspreidorgaan onder veerdruk van ten minste één 25 schotelveer tegen de omtrek van het frictiewiel wordt gedrukt.
15. Machine volgens een der voorgaande conclusies 8 -14, met het kenmerk, dat het frictiewiel verplaatsbaar is ten opzichte van de draaiingsas van het verspreidorgaan voor het 30 kunnen aandrijven van het verspreidorgaan met verschillende toerentallen.
16. Machine volgens conclusie 15, met het kenmerk, dat het frictiewiel verschuifbaar is aangebracht op een as die koppelbaar is met een aftakas van een de machine dragende 35 trekker of ander dergelijk voertuig.
17. Machine volgens conclusie 15 of 16, met het kenmerk, dat het frictiewiel voor het veranderen van de aandrijf snelheid van het verspreidorgaan ten opzichte van het 8701715 verspreidorgaan hydraulisch beweegbaar is.
18. Machine voor het strooien van materiaal, in het bijzonder van korrel- en/of poedervormig materiaal zoals kunstmest, voorzien van een gestel, een voorraadbak en ten 5 minste één aangedreven verspreidorgaan, met het kenmerk, dat de machine een verspreidorgaan omvat dat door een frictiewiel wordt aangedreven, dat ten opzichte van het verspreidorgaan hydraulisch verschuifbaar is voor het naar keuze met één van ten minste twee verschillende snelheden kunnen aandrijven van 10 het verspreidorgaan.
19. Machine volgens conclusie 17 of 18, met het kenmerk, dat het frictiewiel om een as verschuifbaar is door middel van een hydraulisch bedienbare hefboom die scharnier-baar in het gestel van de machine is aangebracht en schar- 15 nierbaar met het frictiewiel is verbonden.
20. Machine volgens een der conclusies 15 - 19, met het kenmerk, dat het verspreidorgaan een schijfvormige plaat omvat op de bovenzijde waarvan werpschoepen zijn aangebracht en tegen de onderzijde waarvan het frictiewiel aandrukt, 20 waarbij de plaat althans in het middengedeelte is voorzien van een verstijvingsplaat die op de bovenzijde van de eerstgenoemde plaat is aangebracht.
21. Machine volgens een der conclusies 8 - 20, met het kenmerk, dat het frictiewiel automatisch verstelbaar is voor 25 het instellen van de draaisnelheid van het verspreidorgaan ten behoeve van het bereiken van een gewenste werkbreedte.
22. Machine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de machine slechts één verspreidorgaan omvat waarmede het materiaal over een effectieve werkbreedte van 30 ongeveer 36 meter kan worden uitgestrooid.
23. Machine voor het strooien van materiaal, in het bijzonder voor het uitstrooien van korrel- en/of poedervormig materiaal zoals kunstmest, voorzien van een gestel, een voorraadbak en ten minste één aangedreven verspreidorgaan, met 35 het kenmerk, dat de machine slechts één verspreidorgaan omvat dat zodanig is ingericht dat een effectieve werkbreedte van de machine ten minste 36 meter bedraagt.
24. Machine volgens een der voorgaande conclusies, met 8701715 het kenmerk, dat de hoeveelheid te verspreiden materiaal tijdens bedrijf van de machine meetbaar is door electromagne-tische en/of geluidsgolven.
25. Machine voor het strooien van materiaal, in het 5 bijzonder van korrel- en/of poedervormig materiaal zoals kunstmest, voorzien van een gestel, een voorraadbak en ten minste één aangedreven verspreidorgaan, met het kenmerk, dat de hoeveelheid door het verspreidorgaan uit te strooien materiaal meetbaar is door electromagnetische en/of geluids-10 golven.
26. Machine volgens conclusie 24 of 25, met het kenmerk, dat de hoeveelheid te verspreiden materiaal tijdens bedrijf meetbaar is door radar, ultrasone, ultraviolette en/of infrarode golven.
27. Machine voor het verspreiden van materiaal, in het bijzonder korrel- en/of poedervormig materiaal zoals kunstmest, voorzien van een gestel, een voorraadbak en ten minste één aangedreven verspreidorgaan, met het kenmerk, dat de hoeveelheid te verspreiden materiaal tijdens bedrijf van 20 de machine meetbaar is door golven die uitgezonden en weerkaatst worden en in het bijzonder radar, ultrasone, ultraviolette en/of infrarode golven zijn.
28. Machine volgens een der conclusies 24 - 27, met het kenmerk, dat de golven in een van een verticale richting 25 afwijkende, respectievelijk van een loodrecht op het te bestrooien oppervlak afwijkende richting, worden uitgezonden tijdens bedrijf van de machine.
29. Machine volgens een der conclusies 24 - 28, met het kenmerk, dat de golven worden uitgezonden in een richting 30 van het vlak waarlangs het materiaal door het verspreidorgaan wordt weggeworpen, welk vlak evenwijdig ligt aan de uit-strooirichting van het materiaal.
30. Machine volgens een der conclusies 24 - 29, met het kenmerk, dat het orgaan dat de golven uitzendt samenwerkt 35 met een ontvanger die de door de zender uitgezonden golven en tegen het te verspreiden materiaal weerkaatste golven ontvangt.
31. Machine volgens conclusie 30, met het kenmerk, dat 8701715 * de organen die golven uitzenden tevens ontvangers bezitten die de weerkaatste golven ontvangen.
32. Machine volgens conclusie 30 of 31, met het kenmerk, dat de opgewekte spanningen of stromen in de ontvanger 5 na versterking en/of decodering op een afleesinrichting een afleesbaar beeld geven.
33. Machine volgens conclusie 32, met het kenmerk, dat de afleesinrichting vensters bezit, waarin de weergave in één of meerdere getalswaarden wordt weergegeven.
34. Machine volgens een der conclusies 24 - 33, met het kenmerk, dat het orgaan voor het uitzenden van de golven onder het verspreidorgaan is gelegen.
35. Machine voor het strooien van materiaal, in het bijzonder voor het uitstrooien van korrel- en/of poedervormig 15 materiaal zoals kunstmest, voorzien van een gestel, een voor-raadbak en ten minste één aangedreven verspreidorgaan, met het kenmerk, dat de machine meetapparatuur omvat om de hoeveelheid te verspreiden materiaal te meten, welke meetapparatuur althans gedeeltelijk onder het verspreidorgaan is 20 gelegen.
36. Machine volgens conclusie 34 of 35, met het kenmerk, dat het orgaan voor het uitzenden van de golven nabij de draaiingsas van het verspreidorgaan is gelegen en de golven worden uitgezonden in een schuin omhoog opwaarts 25 gerichte richting die het vlak waarlangs het materiaal door het verspreidorgaan wordt weggeworpen snijdt op betrekkelijk korte afstand van de omtrek van het verspreidorgaan.
37. Machine volgens een der conclusies 24 - 35, met het kenmerk, dat de machine is voorzien van golfuitzend- 30 organen die golven in een richting uitzenden evenwijdig aan de draaiingsas van het verspreidorgaan.
38. Machine volgens een der voorgaande conclusies 24 -37, met het kenmerk, dat de zendorganen samenwerken met een weerkaatsingsvlak dat aan de machine is aangebracht, waarbij 35 het weerkaatsingsvlak zodanig is aangebracht, dat niet door tijdens bedrijf weggeworpen materiaal teruggekaatste golven in een van de zendrichting afgerichte richting weerkaatst worden. 8701715 33 .,
39. Machine volgens conclusie 37 of 38, met het ken merk, dat de zèndorganen hoger zijn gelegen dan het ver-spreidorgaan en het weerkaatsingsvlak lager is gelegen dan het verspreidorgaan.
40. Machine volgens conclusie 38 of 39, met het ken merk, dat het weerkaatsingsvlak zodanig is aangebracht dat het de golven weerkaatst in een richting evenwijdig aan het te bestrooien oppervlak.
41. Machine volgens een der voorgaande conclusies, met 10 het kenmerk, dat het verspreidorgaan samenwerkt met twee of meer doseeropeningen waardoor het materiaal aan het verspreidorgaan wordt toegevoerd, waarbij deze doseeropeningen rond de draaiingsas van het verspreidorgaan naast elkaar zijn gelegen.
42. Machine voor het strooien van materiaal, in het bijzonder voor het uitstrooien van korrel- en/of poedervormig materiaal zoals kunstmest, voorzien van een gestel, een voor-raadbak en ten minste één aangedreven verspreidorgaan, met het kenmerk, dat de machine voor het zijwaarts strooien een 20 aantal meer of minder afsluitbare doseeropeningen omvat, waardoor het materiaal aan het verspreidorgaan kan worden toegevoerd.
43. Machine volgens conclusie 41 of 42, met het kenmerk, dat ten minste twee van de doseeropeningen onafhanke- 25 lijk van elkaar meer of minder afsluitbaar zijn door een doseerschuif of dergelijk orgaan.
44. Machine volgens een der conclusies 41 - 43, met het kenmerk, dat de doseeropeningen gezamenlijk meer of minder afsluitbaar zijn.
45. Machine volgens een der conclusies 41 - 44, met het kenmerk, dat het verspreidorgaan via zes doseeropeningen tijdens bedrijf materiaal ontvangt.
46. Machine volgens een der conclusies 41 - 45, met het kenmerk, dat de doseeropeningen in een gebogen wandvlak 35 zijn aangebracht.
47. Machine volgens conclusie 46, met het kenmerk, dat het wandvlak is gebogen om een hartlijn die bij horizontale stand van de machine althans nagenoeg horizontaal is gelegen. 8701715 )
48. Machine volgens conclusie 46 of 47, met het kenmerk, dat de hartlijn is gelegen ter hoogte van de bovenzijde van het gebogen wandvlak.
49. Machine volgens een der conclusies 46 - 48, met 5 het kenmerk, dat de ondereinden van één of meer van de doseeropeningen, bij verticale stand van de machine, althans ongeveer loodrecht onder de hartlijn van het gebogen wandvlak zijn gelegen.
50. Machine volgens een der conclusies 41 - 49, met 10 het kenmerk, dat de afvoeropeningen langwerpig zijn en althans nagenoeg evenwijdig aan elkaar zijn gelegen.
51. Machine volgens conclusie 50 voor zover afhankelijk van conclusie 46, met het kenmerk, dat de doseeropeningen met hun lange zijden althans nagenoeg evenwijdig 15 zijn gelegen aan een vlak dat zich loodrecht uitstrekt op de hartlijn van het gebogen wandvlak.
52. Machine volgens een der conclusies 41 - 50, met het kenmerk, dat de doseeropeningen zich uitstrekken in een hoek om de draaiingsas van het verspreidorgaan die kleiner is 20 dan 180°.
53. Machine volgens een der conclusies 41 - 52, met het kenmerk, dat nabij de doseeropeningen afsluitorganen zijn aangebracht, waarmede de doseeropeningen meer of minder afsluitbaar zijn.
54. Machine volgens conclusie 53, met het kenmerk, dat de afsluitorganen zijn verbonden met bedieningsorganen die op afstand bedienbaar zijn.
55. Machine volgens conclusie 53 of 54, met het ken-30 merk, dat de afsluitorganen verbonden zijn met hydraulisch bedienbare bedieningsorganen.
56. Machine volgens een der conclusies 52 - 55, met het kenmerk, dat de bedieningsorganen door middel van flexibele verbindingen met de afsluitorganen zijn verbonden, waar- 35 bij de bedieningsorganen tijdens bedrijf nabij de zitting van de trekker of dergelijk voertuig aanbrengbaar zijn, waarmede de machine is verbonden.
57. Machine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de verdeling van het materiaal over de 8701715 * strooiwaaier waarover het materiaal door het verspreidorgaan wordt uitgestrooid weergeefbaar is op een afleesinrichting.
58. Machine volgens conclusie 57, met het kenmerk, dat de afleesinrichting door middel van flexibele verbindingen 5 met de machine is verbonden en aanbrengbaar is nabij de zitting van de trekker of dergelijk voertuig waaraan de machine koppelbaar is.
59. Machine volgens conclusie 57 of 58, met het kenmerk, dat de afleesinrichting een venster omvat waarin de 10 verdeling van het materiaal over de strooiwaaier door middel van een cijferindicatie zichtbaar is.
60. Maaimachine volgens een der conclusies 56 - 59, voor zover afhankelijk van een der conclusies 41 - 55, met het kenmerk, dat nabij elk van de doseeropeningen een 15 afsluitorgaan is aangebracht, die onafhankelijk van de afsluitorganen nabij de andere doseeropeningen verstelbaar is, een en ander zodanig dat de verdeling van het materiaal over de strooiwaaier regelbaar is.
61. Machine volgens een der conclusies 41 - 60, met 20 het kenmerk, dat de doseeropeningen verdeeld om de draai- ingsas van het verspreidorgaan zijn gelegen, zodanig dat de doseeropeningen evenwijdig aan de draaiingsas van het verspreidorgaan gezien, ongeveer op gelijke afstanden van de draaiingsas zijn gelegen.
62. Machine volgens conclusie 60 of 61, met het ken merk, dat nabij de afleesinrichting een aantal bedienings-organen zijn aangebracht die overeenstemmen met het aantal afsluitorganen, waarbij elk afsluitorgaan met een bedie-ningsorgaan is gekoppeld.
63. Machine volgens conclusie 60 of 61, met het ken merk, dat de af leesinrichting is gekoppeld met een schakel-mechanisme dat is gekoppeld met de afsluitorganen, een en ander zodanig dat de informatie van de af leesinrichting via het schakelmechanisme een automatische verstelinrichting voor 35 de afsluitorganen vormt.
64. Machine volgens een der conclusies 24 - 63, met het kenmerk, dat de meetorganen zijn gekoppeld met een afleesinrichting. 8701716
65. Machine volgens een der conclusies 43 - 64, met het kenmerk, dat de afsluitorganen voor de doseeropeningen zijn verbonden met een verstelorgaan dat de afsluitorganen gezamenlijk bedient.
66. Machine volgens een der conclusies 43 - 65, met het kenmerk, dat elk van de af sluitorganen is gekoppeld met een hydraulisch bedienbaar mechanisme.
67. Machine volgens conclusie 66, met het kenmerk, dat de hydraulisch bedienbare verstelorganen gezamenlijk zijn 10 verbonden met een verder hydraulisch verstelbaar verstelorgaan, waarmede de afsluitorganen gezamenlijk verstelbaar zijn.
68. Machine volgens een der conclusies 53 - 66, met het kenmerk, dat de afleesinrichting is voorzien van een 15 toetsenbord dat geschakeld is met een schakelmechanisme waarmede de afleesinrichting is gekoppeld, waarbij via het toetsenbord intoetsbaar is de hoeveelheid materiaal die per hectare uitgestrooid moet worden en/of de verdeling van het materiaal over de strooiwaaier waarover het materiaal door 20 het verspreidorgaan wordt uitgestrooid en/of de strooibreedte waarover het materiaal door het verspreidorgaan uitstrooibaar is, welke intoetswaarden vergelijkbaar zijn met gemeten werkelijke waarden.
69. Machine volgens een der conclusies 41 - 68, met 25 het kenmerk, dat de doseeropeningen verstelbaar zijn om de draaiingsas van het verspreidorgaan, een en ander zodanig dat door verandering van de ligging van de doseeropeningen om de draaiingsas de uitstrooirichting van het materiaal door het verspreidorgaan instelbaar is.
70. Machine volgens conclusie 69, voor zover afhanke lijk van een der conclusies 41 - 68, met het kenmerk, dat de afleesinrichting indicatiemiddelen heeft, waarmede de ligging van de strooiwaaier om de draaiingsas van het verspreidorgaan in relatie tot de voortbewegingsrichting van de 35 inrichting aangegeven kan worden.
71. Machine volgens conclusie 70, met het kenmerk, dat de afleesinrichting een cijferindicatie omvat voor het aangeven van de ligging van de strooiwaaier om de draaiingsas en 8701715 het verspreidorgaan.
72. Machine volgens een der conclusies 69 - 71, met het kenmerk, dat de doseeropeningen zijn aangebracht in een ondereinde van de voorraadbak, welk ondereinde een doseerdeel 5 vormt dat verstelbaar is ten opzichte van het overige gedeelte van de voorraadbak.
73. Machine volgens conclusie 72, met het kenmerk, dat het doseerdeel door middel van een hydraulische verstelinrichting verstelbaar is.
74. Machine volgens conclusie 73, met het kenmerk, dat de verstelinrichting is gekoppeld met een handbedienbaar : verstelorgaan dat is aangebracht nabij de afleesinrichting van de machine.
75. Machine volgens conclusie 73, met het kenmerk, dat 15 de verstelinrichting voor het doseerdeel gekoppeld is met een automatisch verstelmechanisme dat het doseerdeel verstelt in afhankelijkheid van de indicatie van de ligging van de strooiwaaier om de draaiingsas van het verspreidorgaan.
76. Maaimachine volgens een der voorgaande conclusies 20 41 - 75, met het kenmerk, dat in de voorraadbak nabij de doseeropeningen doorstroomorganen zijn aangebracht die tijdens bedrijf de doorstroming van het materiaal uit het reservoir door de doseeropeningen beïnvloeden.
77. Machine volgens conclusie 76, met het kenmerk, dat 25 de doorstroomorganen bestaan uit doseerschijven.
78. Machine volgens conclusie 76 of 77, met het kenmerk, dat de doorstroomorganen draaibaar om een draaiingsas nabij de doseeropeningen zijn aangebracht.
79. Machine volgens conclusie 78, voor zover afhanke-30 lijk van conclusie 46, met het kenmerk, dat de doorstroomorganen verdraaibaar zijn om een as die samenvalt met de hartlijn van het wandvlak.
80. Machine volgens een der conclusie 76 - 79, met het kenmerk, dat de doorstroomorganen aandrijfbaar zijn door een 35 worm en wormwieIconstructie vanaf het verspreidorgaan.
81. Machine voor het verspreiden van materiaal, in het bijzonder voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal zoals kunstmest, voorzien van een gestel, een voor- 6701715 raadbak en ten minste één aangedreven verspreidorgaan, met het kenmerk, dat de machine een om een ongeveer horizontale as draaibaar doorstroomorgaan omvat dat aandrijfbaar is verbonden met het verspreidorgaan.
82. Maaimachine volgens conclusie 80 of 81, met het kenmerk, dat de worm en wormwielconstructie is gelegerd in een in de onderzijde van de voorraadbak aangebracht huis, waarbij de wormconstructie is aangebracht op een as waarvan de hartlijn samenvalt met de draaiingsas van het verspreid-10 orgaan en waarbij de as is gekoppeld met het verspreidorgaan.
83. Machine volgens een der conclusies 77 - 82, met het kenmerk, dat ieder van de schijfvormige doorstroomorganen nabij een vlak is gelegen of een vlak bevat, dat zich uitstrekt door het midden van een doseeropening.
84. Machine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de machine slechts één verspreidorgaan omvat.
85. Machine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het gestel van de inrichting koppelorganen 20 omvat, waarmede de machine aan de hefinrichting van een trekker of dergelijk voertuig koppelbaar is.
86. Machine volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het verspreidorgaan is gekoppeld met aan-drijfmiddelen die koppelbaar zijn met de aftakas van een 25 trekker of dergelijk voertuig waaraan de machine aanbrengbaar is.
87. Machine zoals hiervoor is beschreven en in de figuren is aangegeven. 8701715
Priority Applications (3)
Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
---|---|---|---|
NL8701715A NL8701715A (nl) | 1987-07-21 | 1987-07-21 | Machine voor het strooien van materiaal. |
EP19880201544 EP0300580B1 (en) | 1987-07-21 | 1988-07-18 | A machine for spreading material |
DE3887218T DE3887218T2 (de) | 1987-07-21 | 1988-07-18 | Streuer. |
Applications Claiming Priority (2)
Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
---|---|---|---|
NL8701715 | 1987-07-21 | ||
NL8701715A NL8701715A (nl) | 1987-07-21 | 1987-07-21 | Machine voor het strooien van materiaal. |
Publications (1)
Publication Number | Publication Date |
---|---|
NL8701715A true NL8701715A (nl) | 1989-02-16 |
Family
ID=19850348
Family Applications (1)
Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
---|---|---|---|
NL8701715A NL8701715A (nl) | 1987-07-21 | 1987-07-21 | Machine voor het strooien van materiaal. |
Country Status (3)
Country | Link |
---|---|
EP (1) | EP0300580B1 (nl) |
DE (1) | DE3887218T2 (nl) |
NL (1) | NL8701715A (nl) |
Families Citing this family (20)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
DE19723359A1 (de) | 1997-06-04 | 1998-12-10 | Rauch Landmaschfab Gmbh | Verfahren zur Einstellung eines Schleuderstreuers |
US5837906A (en) * | 1997-06-09 | 1998-11-17 | Ludwig Kipp | Apparatus and method for measuring the real-time volumetric flow rate of grain in a field harvester using acoustical transducers |
DK174806B1 (da) * | 2000-11-13 | 2003-12-01 | Epoke As | Vejmaskine med en anordning til afgivelse af materiale, og som har et organ til verifikation af afgivefunktionen |
EP2756745A1 (de) * | 2013-01-17 | 2014-07-23 | MSO Messtechnik und Ortung GmbH | Verfahren zur Ermittlung der Verteilung eines Gutstroms mittels Mikrowellen, Sensoranordnung und entsprechende Vorrichtung |
DE102013002751A1 (de) | 2013-02-19 | 2014-09-04 | Rauch Landmaschinenfabrik Gmbh | Verteilmaschine mit einem ihrer Verteilerscheibe zugeordneten Sensor |
DE102013004195A1 (de) | 2013-03-12 | 2014-09-18 | Rauch Landmaschinenfabrik Gmbh | Verfahren zur Regelung einer Einrichtung zur Veränderung des Streuringsektors eines Scheibenstreuers und zur Durchführung eines solchen Verfahrens ausgebildeter Scheibenstreuer |
DE102013103060A1 (de) | 2013-03-26 | 2014-10-16 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Vorrichtung zum Ermitteln von zumindest einem Verteilungsparameter |
DE102013114110A1 (de) * | 2013-12-16 | 2015-06-18 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Verfahren zur Ermittlung von Einstelldaten für Zentrifugalstreuer |
DE102014106777A1 (de) * | 2014-05-14 | 2015-11-19 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Schleuderdüngerstreuer und Verfahren für einen Schleuderdüngerstreuer |
BE1021841B1 (nl) * | 2014-05-21 | 2016-01-21 | Cnh Industrial Belgium Nv | Restantenstrooisysteem |
DE102014116023A1 (de) | 2014-11-04 | 2016-05-04 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Verfahren zur Bestimmung der Geschwindigkeit und/oder Wurfweite von abgeworfenem Streugut sowie eine Verteilmaschine zur Durchführung eines solchen Verfahrens |
DE102014116019A1 (de) | 2014-11-04 | 2016-05-04 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Verfahren und Vorrichtung zur Berechnung von Einstellparametern eines Schleuderstreuers |
DE102014116026A1 (de) | 2014-11-04 | 2016-05-04 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Verfahren zur Bestimmung der Verteilcharakteristik von Streugut sowie Verteilmaschine zur Durchführung eines solchen Verfahrens |
DE102014116022A1 (de) | 2014-11-04 | 2016-05-04 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Verfahren zur Bestimmung der Korngröße und/oder der Wurfweite |
DE102014116021A1 (de) | 2014-11-04 | 2016-05-04 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Verfahren zur Steuerung und/oder Regelung einer Sensoranordnung zur Reduktion des Rauschniveaus dieser Sensoranordnung |
DE102014116025A1 (de) | 2014-11-04 | 2016-05-04 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Verfahren zur Bestimmung der Verteilcharakteristik einer Verteilmaschine sowie eine Verteilmaschine zur Durchführung eines solchen Verfahrens |
DE102015011496A1 (de) * | 2015-09-09 | 2017-03-09 | Rauch Landmaschinenfabrik Gmbh | Verteilmaschine mit einer Einrichtung zur Ermittlung des Streuringsektors |
DE102015116949A1 (de) | 2015-10-06 | 2017-04-06 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Verfahren zur Bestimmung der Verteilcharakteristik einer Verteilmaschine |
DE102016100048A1 (de) | 2016-01-04 | 2017-07-06 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Verfahren zur Steuerung und/oder Regelung einer Sensoranordnung und Sensoranordnung |
DE102016114420A1 (de) * | 2016-08-04 | 2018-02-08 | Amazonen-Werke H. Dreyer Gmbh & Co. Kg | Winterdienststreumaschine und Verfahren zum Ausbringen von Streugut auf einer Fahrbahn |
Family Cites Families (5)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
DE1534355A1 (de) * | 1966-02-05 | 1969-09-11 | Max Pietsch Fabrik F Strassenb | Anzeigegeraet fuer die Streukontrolle an Streumaschinen fuer den Winterdienst |
US4149163A (en) * | 1975-11-07 | 1979-04-10 | Dickey-John Corporation | Wireless seed detecting and monitoring apparatus |
JPS5373168A (en) * | 1976-12-13 | 1978-06-29 | Hokushin Gohan Kk | Measuring method and apparatus for weight of powdered articles in wind sending process |
US4239010A (en) * | 1979-06-29 | 1980-12-16 | Dickey-John Corporation | Microwave seed sensor for field seed planter |
NL178645C (nl) * | 1979-09-10 | 1986-05-01 | Lely Nv C Van Der | Inrichting voor het over de grond verspreiden van materiaal. |
-
1987
- 1987-07-21 NL NL8701715A patent/NL8701715A/nl not_active Application Discontinuation
-
1988
- 1988-07-18 EP EP19880201544 patent/EP0300580B1/en not_active Expired - Lifetime
- 1988-07-18 DE DE3887218T patent/DE3887218T2/de not_active Expired - Fee Related
Also Published As
Publication number | Publication date |
---|---|
EP0300580A2 (en) | 1989-01-25 |
DE3887218T2 (de) | 1994-08-11 |
EP0300580A3 (en) | 1989-04-19 |
EP0300580B1 (en) | 1994-01-19 |
DE3887218D1 (de) | 1994-03-03 |
Similar Documents
Publication | Publication Date | Title |
---|---|---|
NL8701715A (nl) | Machine voor het strooien van materiaal. | |
NL8701870A (nl) | Machine voor het verspreiden van materiaal. | |
US5575316A (en) | Device for automatic filling of containers | |
US4653410A (en) | Seed planter | |
NL8900628A (nl) | Elektronisch bestuurde pneumatische zaaimachine. | |
NL1003292C2 (nl) | Hooibouwmachine. | |
US4588133A (en) | Combined chute and variable rate control assembly for a broadcast spreader | |
US20200188947A1 (en) | Dual-impeller spreader with dual shut-off controls | |
US5485963A (en) | Granular fertilizer spreader | |
US20030057303A1 (en) | Dual mode spreader | |
EP0322046B1 (en) | An agricultural machine for distributing material | |
NL8901903A (nl) | Machine voor het verspreiden van materiaal. | |
NL8701551A (nl) | Machine voor het strooien van materiaal, zoals kunstmest. | |
NL2008185C2 (nl) | Voederbesturingssysteem, voedersysteem en werkwijze voor het voeren van dieren. | |
US3425627A (en) | Implements for spreading powdered or granular materials | |
NL192240C (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
NL8403183A (nl) | Werkwijze voor het strooien van meststoffen. | |
NL8301973A (nl) | Inrichting en werkwijze voor het over een oppervlak verspreiden van materiaal. | |
NL8105285A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel- en/of poedervormig materiaal. | |
HU210649B (en) | Mixing and distribution trailer | |
BE1004504A3 (nl) | Inrichting voor het in de bodem brengen van vloeibare mest, in het bijzonder mengmest. | |
NL8702289A (nl) | Machine voor het verspreiden van materiaal. | |
NL8701009A (nl) | Machine voor het verspreiden van materiaal. | |
EP3571914B1 (en) | Fertilizer spreader | |
NL8601148A (nl) | Inrichting voor het verspreiden van korrel en/of poedervormig materiaal. |
Legal Events
Date | Code | Title | Description |
---|---|---|---|
A1B | A search report has been drawn up | ||
A1Y | An additional search report has been drawn up | ||
BT | A document has been added to the application laid open to public inspection | ||
BC | A request for examination has been filed | ||
BV | The patent application has lapsed |