NL8600041A - Contactinrichting voor een afgeschermde kabel. - Google Patents
Contactinrichting voor een afgeschermde kabel. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8600041A NL8600041A NL8600041A NL8600041A NL8600041A NL 8600041 A NL8600041 A NL 8600041A NL 8600041 A NL8600041 A NL 8600041A NL 8600041 A NL8600041 A NL 8600041A NL 8600041 A NL8600041 A NL 8600041A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- cable
- bottom plate
- contact
- hood
- plug
- Prior art date
Links
Classifications
-
- H—ELECTRICITY
- H01—ELECTRIC ELEMENTS
- H01R—ELECTRICALLY-CONDUCTIVE CONNECTIONS; STRUCTURAL ASSOCIATIONS OF A PLURALITY OF MUTUALLY-INSULATED ELECTRICAL CONNECTING ELEMENTS; COUPLING DEVICES; CURRENT COLLECTORS
- H01R9/00—Structural associations of a plurality of mutually-insulated electrical connecting elements, e.g. terminal strips or terminal blocks; Terminals or binding posts mounted upon a base or in a case; Bases therefor
- H01R9/03—Connectors arranged to contact a plurality of the conductors of a multiconductor cable, e.g. tapping connections
- H01R9/05—Connectors arranged to contact a plurality of the conductors of a multiconductor cable, e.g. tapping connections for coaxial cables
- H01R9/053—Connectors arranged to contact a plurality of the conductors of a multiconductor cable, e.g. tapping connections for coaxial cables using contact members penetrating insulation
-
- H—ELECTRICITY
- H01—ELECTRIC ELEMENTS
- H01R—ELECTRICALLY-CONDUCTIVE CONNECTIONS; STRUCTURAL ASSOCIATIONS OF A PLURALITY OF MUTUALLY-INSULATED ELECTRICAL CONNECTING ELEMENTS; COUPLING DEVICES; CURRENT COLLECTORS
- H01R12/00—Structural associations of a plurality of mutually-insulated electrical connecting elements, specially adapted for printed circuits, e.g. printed circuit boards [PCB], flat or ribbon cables, or like generally planar structures, e.g. terminal strips, terminal blocks; Coupling devices specially adapted for printed circuits, flat or ribbon cables, or like generally planar structures; Terminals specially adapted for contact with, or insertion into, printed circuits, flat or ribbon cables, or like generally planar structures
- H01R12/70—Coupling devices
- H01R12/71—Coupling devices for rigid printing circuits or like structures
- H01R12/75—Coupling devices for rigid printing circuits or like structures connecting to cables except for flat or ribbon cables
-
- H—ELECTRICITY
- H01—ELECTRIC ELEMENTS
- H01R—ELECTRICALLY-CONDUCTIVE CONNECTIONS; STRUCTURAL ASSOCIATIONS OF A PLURALITY OF MUTUALLY-INSULATED ELECTRICAL CONNECTING ELEMENTS; COUPLING DEVICES; CURRENT COLLECTORS
- H01R4/00—Electrically-conductive connections between two or more conductive members in direct contact, i.e. touching one another; Means for effecting or maintaining such contact; Electrically-conductive connections having two or more spaced connecting locations for conductors and using contact members penetrating insulation
- H01R4/24—Connections using contact members penetrating or cutting insulation or cable strands
- H01R4/2416—Connections using contact members penetrating or cutting insulation or cable strands the contact members having insulation-cutting edges, e.g. of tuning fork type
-
- H—ELECTRICITY
- H01—ELECTRIC ELEMENTS
- H01R—ELECTRICALLY-CONDUCTIVE CONNECTIONS; STRUCTURAL ASSOCIATIONS OF A PLURALITY OF MUTUALLY-INSULATED ELECTRICAL CONNECTING ELEMENTS; COUPLING DEVICES; CURRENT COLLECTORS
- H01R9/00—Structural associations of a plurality of mutually-insulated electrical connecting elements, e.g. terminal strips or terminal blocks; Terminals or binding posts mounted upon a base or in a case; Bases therefor
- H01R9/03—Connectors arranged to contact a plurality of the conductors of a multiconductor cable, e.g. tapping connections
- H01R9/05—Connectors arranged to contact a plurality of the conductors of a multiconductor cable, e.g. tapping connections for coaxial cables
- H01R9/0515—Connection to a rigid planar substrate, e.g. printed circuit board
Landscapes
- Coupling Device And Connection With Printed Circuit (AREA)
- Multi-Conductor Connections (AREA)
- Communication Cables (AREA)
- Connections By Means Of Piercing Elements, Nuts, Or Screws (AREA)
Description
N.0. 33.640 „ 1 J
Contactinrichting voor een afgeschermde kabel.
De uitvinding heeft betrekking op een contactinrichting voor een 5 afgeschermde kabel, in het bijzonder een coaxiale kabel met althans een binnengeleider en een hiervan geïsoleerde buitengeleider in de vorm van een mantel, welke kontaktinrichting is opgebouwd uit een bodemplaat van isolerend materiaal waarop eerste en tweede, elektrisch gescheiden en onderling evenwijdige, in de langsrichting van de aan te sluiten coaxi-10 ale kabel verschoven contactorganen zijn aangebracht, die voorzien zijn van pennen die benedenwaarts door de bodem van de bodemplaat steken, waarbij het naar boven uitstekende deel van het eerste contactorgaan is gevormd als opsteekcontact, waarvan de centrale snijgleuf door de eventuele isolatiemantel van de buitengeleider kan dringen en in electri-15 sche verbinding kan treden met de blanke buitengeleider en waarbij het naar boven stekende einde van het althans ene tweede contactorgaan eveneens is gevormd als opsteekcontact, waarvan de centrale snijgleuf door de eventuele isolatie van een binnengeleider in electrische verbinding kan treden met de blanke binnengeleider alsmede een kap die 20 over de opsteekcontacten op de bodemplaat kan worden geplaatst en hieraan kan worden vergrendeld.
Een dergelijke inrichting is bekend uit de Amerikaanse octrooi-schriften 4.533.193 en 4.533.199.
Enkelvoudige afgeschermde coaxiale kabels zijn in hun meest alge-25 mene vorm concentrisch opgebouwd uit een cilindrische binnengeleider van elektrisch geleidend materiaal omgeven door een cilindrische bin-nemnantel van isolerend materiaal en een rond deze binnenmantel aangebrachte schermvormige cilindrische buitengeleider van elektrisch geleidend materiaal waarbij deze buitengeleider meestal nog omgeven wordt 30 door een buitenmantel van isolerend materiaal. De binnengeleider kan bestaan uit een massieve draad of uit een aantal samengeslagen draden van dunnere diameter. De buitengeleider kan gevormd zijn als een gevlochten draadscherm, een rondom gewikkelde metaalfolie of een combinatie van beide. Bij meervoudige afgeschermde kabels worden in plaats van 35 een binnengeleider kunnen ook twee of meer van een isolatiemantel voorziene binnengeleiders toegepast. Coaxiale kabels met een gevlochten scherm als buitengeleider en een massieve binnengeleider worden in de praktijk het meest toegepast.
Bij het handmatig verbinden van een dergelijke kabel met bijvoor-A0 beeld een plaat met gedrukte bedrading, zal in de praktijk in het alge- 36 0CÖ4'] 2 2 ·* meen aan een kabeleinde de buitenmantel over een lengte rond de buitengeleider verwijderd moeten worden, de buitengeleider over een kortere lengte rond de binnenmantel verwijderd moeten worden en de binnenmantel over een nog kortere lengte rond de binnengeleider verwijderd moeten 5 worden. Dit is een nogal arbeidsintensief en daardoor tijdrovend karwei, waarbij de kans op fouten of beschadigingen aan de kabel zelf groot is, hetgeen de kwaliteit van de kabel en de betrouwbaarheid van de verbinding niet ten goede komt.
Bij het over een te grote lengte verwijderen van de buitengeleider 10 van een coaxiale kabel ten opzichte van de binnengeleider kan een ernstige misaanpassing in de impedantie van de kabel onstaan, die een verstoring van het over die kabel te transporteren elektrische signaal kan veroorzaken.
Met de inrichting uit de Amerikaanse octrooischriften 4.533.193 en 15 4.533.199 is een relatief snelle verbinding van een of meerdere coaxiale kabels met een plaat met gedrukte bedrading mogelijk, waarbij van de kabel, voordat deze in de contactinrichting wordt geplaatst, eerst de buitenmantel en de buitengeleider over eenzelfde lengte van het kabeleinde verwijderd moeten worden, waarbij de binnenmantel rond de binnen-20 geleider gehandhaafd dient te blijven. De op deze wijze voorbewerkte kabel dient vervolgens te worden geplaatst in de, de respectievelijke isolerende mantels doorsnijdende opsteekcontacten van de contactorganen. Hierna wordt de contactinrichting door middel van een scharnierend aan de bodemplaat bevestigd deksel gesloten. Het deksel is van diverse 25 naar binnen stekende zogenaamde aambeelden voorzien, die als het deksel gesloten worden op de gemonteerde kabels worden gedrukt en deze in gemonteerde positie houden.
Deze bekende inrichting heeft een aantal nadelen. De kabel wordt aanvankelijk alleen op zijn plaats gehouden door de opsteekcontacten. 30 Bij het omlaagklappen van het deksel drukken de aambeelden op de kabel, en wel een op de buitenmantel, een op de binnenmantel en een op de blanke ader. Deze delen kunnen hierbij zodanig doorbuigen, dat er onjuiste druk- en trekspanningen op de coaxiale kabel worden uitgeoefend. Bij de noodzakelijke voorbewerking van de kabel dient er dan ook nauw-35 keurig op te worden gelet, dat de resterende delen van de kabel niet worden beschadigd, in het bijzonder de binnenmantel, omdat er anders bij het doorbuigen door de druk van de aambeelden een elektrische verbinding kan optreden tussen de binnengeleider en de gevlochten buitengeleider.
40 Verder ontbreken speciale trekontlastmiddelen die moeten voorkomen 83 00 04 1 s- i 3 dat bij het uitoefenen van een trekkracht in de langsrichting van de gemonteerde kabel, dus in de richting van de achter elkaar staande contactorganen, de aansluitingen losraken en bijvoorbeeld de binnengelei-der in electrische verbinding kan treden met het contactorgaan voor de 5 buitengeleider.
Ook biedt de bekende inrichting geen visuele controlemogelijkheid vanaf de buitenzijde van de contactinrichting op de kabel in de eindtoestand, dat wil zeggen met gesloten deksel. Het is immers zeer wel denkbaar, dat zoals hierboven opgemerkt de door het sluiten van de dek-10 sel veroorzaakte drukkrachten op de kabel kunnen leiden tot storingen in de verbinding. Vooral bij montage op uitgebreide schaal kan dit een groot nadeel vormen omdat hierdoor een controle van de verbinding in de eindtoestand slechts met behulp van meetapparatuur uitgevoerd kan worden.
15 Gebleken is verder dat door de mechanische opbouw van de kabel in de praktijk dikwijls grote krachten kunnen optreden pp de opsteekcon-tacten zoals onder andere toegepast in de bekende inrichting, welke niet bijdragen tot het behoud van een betrouwbare elektrische verbinding met onder meer de buitengeleider van de coaxiale kabel.
20 Gelet op de bovenbeschreven nadelen heeft de uitvinding tot doel een contactinrichting van de in de aanhef genoemde soort te verschaffen, in het bijzonder voor het verbinden van een af geschermde kabel, zoals een coaxiale kabel met bijvoorbeeld een schakeling op een plaat met een gedrukte bedrading, waarbij een snelle montage mogelijk is met 25 een in de eindtoestand gegarandeerde betrouwbare verbinding, die grotere krachten in de langsrichting van de kabel op kan nemen zonder dat dit tot storingen in de verbinding leidt.
De contactinrichting volgens de uitvinding heeft het kenmerk, dat de kap is voorzien van speciaal gevormde ruimten, die vanaf een in een 30 zijwand van de kap aangebrachte insteekopening voor de coaxiale kabel in de kap, in de insteekrichting van de kabel achter elkaar zijn gelegen en vanaf de insteekopening afnemende binnenmaten bezitten voor het opnemen en althans gedeeltelijk ondersteunen van het volgens een bepaald passend strippatroon voorbereide uiteinde van de kabel, en dat de 35 kap verder is voorzien van doorvoeren voor de opsteekcontacten, welke doorvoeren vanaf de zijde van de kap die op de bodemplaat wordt gedrukt tot in bepaalde van de genoemde ruimten doorlopen, zodat de opsteekcontacten tot in genoemde ruimten kunnen doordringen.
Bij de contactinrichting volgens de onderhavige uitvinding wordt 40 de kabel, in het bijzonder een coaxiale kabel alzijdig of grotendeels S30CÖ41 ί 4 ondersteund door de nauwe bijpassende ruimten in de kap, waarvan de verschillende binnenmaten overeenkomen met de verschillende buitenmaten van de delen van de gestripte kabel. Deze delen worden derhalve veel beter ondersteund. In het bijzonder als de invoeropening is aangepast 5 aan de buitendiameter van de kabel kunnen grotere trekkrachten worden opgenomen. De opsteekcontacten kunnen zich hierbij bevinden in sleuven in het huis die zich dwars op de insteekrichting van de kabel uitstrekken, waardoor deze ook grotere krachten kunnen opnemen als in de langs-richting aan de kabel wordt getrokken.
10 Een voorkeursuitvoeringsvorm van de uitvinding heeft het kenmerk, dat de ruimte voor het opnemen van de buitenmantel van de coaxiale kabel aan de naar de bodemplaat gekeerde zijde open is en dat de bodemplaat is voorzien van een ópstaand deel, dat schuivend in deze open zijde past en een aan de uitwendige diameter van genoemde kabel aange-15 past bovenoppervlak bezit, welk opstaand deel een zodanige lengte bezit, dat na het op de bodemplaat vergrendelen van de kap een ruimte ontstaat, die de buitenmantel van de kabel alzijdig zal ondersteunen.
Hierbij kan het uitstekende deel dat past in de open zijde van de eerste ruimte zodanige afmetingen worden gegeven, dat een sterkere 20 klemkracht op de buitenmantel van de kabel wordt uitgeoefend, nadat de kap op het deksel is geplaatst en vergrendeld.
De kap wordt verder bij voorkeur voorzien van althans een venster, dat vanaf de buitenzijde van de kap doordringt tot in althans een deel van de genoemde ruimten in de kap. Door dit venster kan de positie en 25 de vorm van het gestripte uiteinde van de kabel worden waargenomen nadat dit in de kap is geschoven en nadat de kap op de bodemplaat is vergrendeld en de verschillende delen tussen de opsteekkontakten zijn geklemd.
Verder is de bodemplaat bij voorkeur voorzien van twee veerkrach-30 tige vergrendellippen, die vanaf respektievelijke zijranden van de bodemplaat tegenover elkaar gelegen naar boven steken, waarbij hun vrije boveneinden zijn voorzien van naar binnen gekeerde nokken, terwijl de kap is voorzien van achter elkaar gelegen vlakken aan de zijkanten waar zich de vergrendellippen bevinden, en waarachter de in-35 springende nokken achtereenvolgens kunnen grijpen als de kap op de bodemplaat wordt gedrukt.
Het naar boven stekende deel van althans het eerste contactorgaan is bij voorkeur uitgevoerd als dubbel opsteekcontaet met evenwijdige contactorganen, waarvan de vorkachtige tanden in de insteekrichting ge-40 zien achtereenvolgens zijn voorzien van een scherp dwars mes op de top '? "Ί fi A L 4 "Q 'J J v' V } i 5
V V
van elke tand voor het insnijden van de externe isolatiemantel, een schuin snijvlak voor het verder doorsnijden van de isolatiemantel, en een plat vlak, evenwijdig aan de insteekrichting van de kabel, dat contact maakt met de blanke geleider, een en ander zodanig dat een traps-5 gewijze doorsnijding van de kabelisolatie word verkregen.
De bodemplaat en de kap van de contactinrichting volgens de uitvinding bestaan bij voorkeur uit gespoten isolatiemateriaal, terwijl de electrische contactorganen uit een stuk electrisch geleidend plaatmateriaal worden geponst. Hierdoor is op grote schaal en op eenvoudige 10 wijze een goedkope en grote productie mogelijk.
De uitvinding zal thans nader toegelicht worden aan de hand van op de tekeningen weergegeven uitvoeringsvoorbeelden.
Fig. 1 toont perspectivisch de opbouw van een voorkeursuitvoe-ringsvorm van een uiteen genomen contactinrichting volgens de uitvin-15 ding voor een coaxiale kabel;
Fig. 2 toont een perspectivische, gedeeltelijke dwarsdoorsnede van een kap volgens de uitvinding voorzien van opneemruimten voor het voorbewerkte kabeleinde;
Fig. 3 toont een bovenaanzicht van de contactinrichting volgens 20 fig. 1 met de mogelijkheid tot visuele waarneming van het kabeleinde in de contactinrichting, alsmede het voorbewerkte kabeleinde;
Fig. 4 toont een zijaanzicht van de contactinrichting volgens fig.
1 met in stippellijn getekende contactorganen;
Fig. 5 toont een vooraanzicht van de contactinrichting volgens 25 fig. 1 voordat de kap op de bodemplaat is gedrukt;
Fig. 6 toont het vooraanzicht volgens fig. 5 met tot op de bodemplaat gedrukte kap;
Fig. 7 toont een perspectivisch aanzicht van de contactinrichting volgens de uitvinding met gemonteerd kabeleinde; 30 Fig. 8 toont een uit een stuk van electrisch plaatmateriaal ver vaardigde, geponste contactorgaan dat bij de inrichting volgens de uitvinding wordt toegepast.
Fig. 9 toont een contactorgaan in zijaanzicht.
In de voorkeursuitvoering van de contactinrichting volgens de uit-35 vinding zoals getoond in fig. 1, bevat de bodemplaat 1 van isolerend materiaal een eerste contactorgaan 3 en een tweede verschoven contactorgaan 4, beide geponst uit electrisch geleidend plaatmateriaal, zoals in fig. 8 is weergegeven. De beide contactorganen 3 en 4 zijn voorzien van benedenwaarts door de bodemplaat 1 stekende omgebogen platte pennen 40 5 voor het tot stand brengen van een elektrische verbinding met bij- 5 j 'j -j v .
....--- d 6 voorbeeld een plaat met een gedrukte bedrading, waarbij pennen door de openingen in deze plaat kunnen worden gestoken en hierin kunnen worden gesoldeerd. De contactorganen 3 en 4 kunnen zoals vermeld worden geponst uit plaatmateriaal, maar kunnen ook op andere wijze worden ver-5 vaardigd.
Het contactorgaan 3 is aan he.t boven de bovenplaat 1 gelegen deel 6 gevormd als een dubbel opsteekcontact, dus met twee evenwijdige op-steekcontacten die door een bodemplaat met elkaar zijn verbonden. Elk opsteekcontact is op overigens bekende wijze voorzien van een sleuf 10 tussen de twee tanden van een vork, welke sleuf plaatselijk snijranden kan bezitten voor het doorsnijden van isolatiemateriaal. Hetzelfde kan gelden voor het tweede contactorgaan 4. De naar binnen gekeerde snijranden van deze opsteekcontacten zullen bij het in deze opsteekcontac-ten drukken van de kabel door de eventuelebuitenmantel dringen, al-15 thans wat betreft het eerste contactorgaan 3, en wat betreft het tweede contactorgaan 4 door de isolerende binnenmantel, voorzover deze niet verwijderd is, tot contact wordt gemaakt met de ader van de binnengeleider, waarbij de randen zich in het materiaal van de geleiders kunnen ingraven.
20 In de in fig. 2 getoonde gedeeltelijke dwarsdoorsnede van de kap 2 van fig. 1 zijn duidelijk de speciaal gevormde opneemruimten voor de verschillende delen van het voorbewerkte kabeleinde te herkennen zoals aangegeven met de verwijzingscijfers 9, 10, 11, 12, 13. Nadat over een lengte gerekend vanaf het kabeleinde de isolerende buitenmantel en bin-25 nenmantel, alsmede de buitenge.leider op een speciale wijze zijn verwijderd of gestript, wordt dit uiteinde vanaf links in de fig. 1 en 2 in de achter elkaar gelegen ruimten van de kap 2 geschoven. De blanke bin-nengeleider wordt dan opgesloten in de ruimte 12 en enerzijds ondersteund door het bovenvlak van deze ruimte 12 die naar beneden toe open 30 is, en anderzijds door het vlak 13, waarop deze geleider komt te rusten. Het overblijvende gedeelte van het kabeleinde wordt ondersteund door de vlakken 9 en 10, waarbij het dwars afgesneden einde van de isolerende buitenmantel en de buitengeleider stoot tegen- het dwarse vlak 11, dat uitmondt in het venster 19, dat zelf weer het verlengde is van 35 een ruimte met het steunvlak 10. Verder bevindt zich tussen het dwarse vlak 11 en de ruimten 12 en 13 voor de blanke geleider een afgeschuind vlak 16, dat dient voor het geleiden van de binnengeleider van de coaxiale kabel, al of niet nog geïsoleerd, naar de ruimten en het contactorgaan voor deze binnengeleider.
40 In de kap zijn verder sleuven 14 en 15 aangebracht, die vanaf be- S3 00 ö 4 1 7 neden tot voorbij de ruimten 9, 10 respektievelijk 12 doorlopen. Deze sleuven dienen voor het opnemen van de platte opsteekcontacten 3 en 4. Deze sleuven zijn even breed als de contactorganen, zodat deze bij het insteken van de coaxiale kabel zijdelings worden ondersteund.
5 De speciaal gevormde opening 19 in de kap 2 levert het reeds ge noemde venster op, waardoor vanaf de buitenzijde van de kap 2 een visuele controlemogelijkheid wordt verschaft op de juiste positie van de kabel in de verschillende ruimten van de kap.
Als het kabeleinde in de kap 2 is geplaatst wordt de kap 2 omlaag 10 op de bodemplaat 1 gedrukt. De platte vorkdelen 6 schuiven daarbij in de sleuven 14 en 15 en de gestripte kabeleinddelen tussen de opsteekcontacten.
Bij het naar beneden drukken van de kap 2 met het daarin opgenomen kabeleinde op de bodemplaat 1 en het in de opsteekcontacten drukken van 15 het kabeleinde kan het kabeleinde in voorgemonteerde positie gemakkelijk in de kap 2 opgesloten worden gehouden, waardoor wordt gegarandeerd dat de buitengeleider in goede elektrische verbinding treedt met het eerste contactorgaan 3 en de binnengeleider in goede elektrische verbinding met het tweede contactorgaan 4. Een en ander kan via het 20 venster 19 worden waargenomen, ook of in de eindtoestand van de verbinding de kabel nog de juiste positie inneemt en er geen ongewenste ver” bindingen tussen de binnengeleider en de buitengeleider en hun respectievelijke contactorganen is opgetreden en ook of de kabel bij het plaatsen van de kap niet is beschadigd.
25 Aan weerszijden van de bodemplaat bevinden zich lipvormige ver- grendelorganen 17, die tegenover elkaar vanaf de bodemplaat naar boven steken en bij voorkeur een geheel met het materiaal van de bodemplaat vormen. Deze lippen zijn voorzien van naar binnen springende nokken 22 met een naar boven afgeschuind deel 23. Bij het omlaag drukken van de 30 kap 2 op de bodemplaat 1 worden de lippen 17 hierdoor uit elkaar gedrukt.
Als de kap 2 geheel naar beneden is gedrukt, grijpen de nokken 22 van de lippen 17 achter de vlakken 18. In de kap 2 in fig. 1 zijn in de opneemsleuf voor de lip 17 ook een dwars vlak 28 en een schuin vlak 27 35 aangegeven. Deze passen bij de nokvorm van de lip 17. Hiermee kan de kap 2 in een voorgemonteerde positie aan de bodemplaat 1 worden vastgehouden, zie ook de figuren 5 en 6. In deze voorgemonteerde positie bevinden de contactorganen zich nog niet in de bijbehorende ruimten, zodat het kabeleinde gemakkelijk kan worden ingeschoven. Daarna wordt de 40 kap 2 verder op de bodemplaat 1 gedrukt en komt de electrische verbin- A £ Λ Π L· i Q V v/ W W “1 i ί * 8 ding met de contactorganen tot stand. In de voorgemonteerde positie kan de kap 2 met de bodemplaat 1 worden opgeslagen en verzonden.
In het bovenaanzicht van fig. 3 is de vorm van het kabeleinde 20 na de strip- of voorbewerking aangegeven en nadat dit einde tot in zijn 5 eindpositie in de kap 2 is geschoven. De volgetrokken lijnen geven het deel van de kabel weer, dat zich buiten de kap 2 bevindt en dat door het venster 19 vanaf de buitenzijde van de kap 2 zichtbaar is. Zoals blijkt is de binnenmantel, tussen de buitengeleider en de binnengelei-der, volgens het hiervoor gebruiikelijke stripproces recht afgesneden 10 tot op de blanke binnengeleider 25 of een aparte isolatiemantel hiervan.
Fig. 4 toont een zijaanzicht van het contactorgaan volgens fig. 3. De bodemplaat 1 valt nu geheel binnen de kapconstructie, die hier van opzetpootjes 27 is voorzien. Met onderbroken lijnen zijn in zijaanzicht 15 de contactorganen 3 en 4 aangegeven.
De fig. 5 en 6 tonen de contactinrichting volgens de uitvinding in vooraanzicht met de kap 2 in Voorgemonteerde positie boven de bodemplaat 1, respectievelijk op deze bodemplaat 1 gedrukt. Met dezelfde verwijzingscijfers als in fig. 1 en 2 worden dezelfde onderdelen aange-20 geven.
Fig. 7 toont in perspectief de contactinrichting volgens de uitvinding nadat de kap 2 met daarin opgenomen het kabeleinde 20 op de bodemplaat 1 is geplaatst en met behulp van de vergrendellippen 17 aan deze bodemplaat 1 is vergrendeld.
25 Uit de benedenzijde van de bodemplaat 1 steken een aantal aan- sluitpennen 5. In deze uitvoeringsvorm heeft het tweede contactorgaan 4 slechts een aansluitpen. Dit kan vanzelfsprekend ook het geval zijn bij het eerste contactorgaan 3.
De specifieke vorm van het eerste contactorgaan 3 is weergegeven 30 in fig. 8, nadat dit contactorgaan uit plaatmateriaal is geponst. Duidelijk is in het vorkvormige uiteinde 6 de trapsgewijze reductie van de afstand tussen de snijmessen zichtbaar met de schuin verlopende delen 26 voor het trapsgewijs doorsnijden van de isolerende buitenmantel van de coaxiale kabel. Bij voorkeur bevinden zich aan de top van elke tand 35 6 bij 29 scherpe snijranden of messen, dwars op het vlak van de teke ning. Deze snijranden 29 maken een eerste insnijding in de externe isolatiemantel. Op deze snijmessen 29 sluit aan de binnenzijde eerst een plat deel aan, dat vervolgens overgaat in het schuine naar binnen gerichte deel 26. De isolatiemantel kan dan verder worden doorgesneden 40 door dit schuine deel 26 met snijrand 31 en het schuine buitendeel met 8300041 9 “ ' snij rand 32, die beide als mes zijn uitgevoerd met een dakvormige scherpe centrale snijrand of snijrand aan de rand. Het daarop aansluitende deel 30 zal in het algemeen geen scherpe snijrand bezitten, omdat dit in contact komt met de electrisch geleidende mantel, die niet mag 5 worden doorgesneden. Het gebruik van snijranden is echter niet tot genoemde delen beperkt. Ook de snijrand 31 kan bijvoorbeeld achterwege blijven.
In het bovenaanzicht van fig. 8 zijn in het centrale deel de aan-sluitpennen 5 al naar beneden omgebogen, dus van het vlak van de teke-10 ning af. Rechts in fig. 8 is de situatie weergegeven waarbij ook de opstaande vorken 6 naar boven zijn omgebogen.
Fig. 9 geeft tenslotte een zijaanzicht van de uiteindelijke omgebogen vorm rechts in fig. 8. Het tweede contactorgaan 3 voor de ader van de coaxiale kabel kan op soortgelijke wijze worden vervaardigd, 15 maar is in de hier weergegeven uitvoeringsvorm niet voorzien van de trapsgewijze vernauwing van de snijsleuf en met scherpe snijvlakken, zoals bij 31.
Het zal duidelijk zijn dat verschillende varianten van deze voorkeursuitvoering mogelijk zijn, bijvoorbeeld door het veranderen van de 20 opneemruimten 12, 13, 9, etc. in de kap 2. Zoals reeds vermeld, kan ook het tweede contactorgaan 4 als isolatiedoorsnijdend opsteekcontact worden uitgevoerd, waardoor tijdens het voorbewerken van het kabeleinde de isolerende binnenmantel van de coaxiale kabel niet geheel behoeft te worden verwijderd.
25 In plaats van een coaxiale kabel, dat wil zeggen met slechts een binnengeleider en een coaxiaal daaromheen gelegen buitengeleider, kan de contactinrichting volgens de onderhavige uitvinding vanzelfsprekend ook worden toegepast voor een afgeschermde kabel met meer dan een binnengeleider, bijvoorbeeld voor een afgeschermde kabel met twee afzon-30 derlijke binnengeleiders. In dat geval kunnen bijvoorbeeld twee verdere contactorganen 4 worden toegepast, die ofwel achter elkaar zijn opgesteld, of iets onderling dwars op de insteekrichting van het kabeleinde ten opzichte van elkaar verschoven, waardoor een geleider naast het aan de voorzijde, gezien vanuit de insteekrichting, gelegen tweede contact-35 orgaan gevoerd kan worden naar het verdere, iets meer naar achteren gelegen contactorgaan 4. Ook kunnen de contactorganen 4 naast elkaar worden opgesteld. Een van de belangrijke voordelen van de uitvinding, t.w. het inklemmen van de buitenmantel in de ruimte 9 en het oppervlak 8, fig. 1, blijft behouden, waardoor een zeer goede trekontlasting wordt 40 verschaft, terwijl de kap 2 van opneemruimten voor de verdere binnen— 8-3 0 0 0 4 1 ; * 10 geleiders kan worden voorzien. De ruimten 9, 10, 11, 16, 13 en 12 zijn niet beperkt tot de afmetingen en volgorden zoals weergegeven, maar kunnen aan verschillende gestripte uiteinden worden aangepast. In de figuren zijn de uitvoeringsvormen weergegeven voor een bij voorkeur 5 toegepaste stripwijze.
8300041
Claims (9)
1. Contactinricfating voor een afgeschermde kabel, in het bijzonder een coaxiale kabel met althans een binnengeleider en een hiervan geïso-5 leerde buitengeleider in de vorm van een mantel, welke kontaktinrich-ting is opgebouwd uit een bodemplaat van isolerend materiaal waarop eerste en tweede, elektrisch gescheiden en onderling evenwijdige, in de langsrichting van de aan te sluiten coaxiale kabel verschoven contactorganen zijn aangebracht, die voorzien zijn van pennen die beneden-10 waarts door de bodem van de bodemplaat steken, waarbij het naar boven uitstekende deel van het eerste contactorgaan is gevormd als opsteek-contact, waarvan de centrale snijgleuf door de eventuele isolatiemantel van de buitengeleider kan dringen en in electrische verbinding kan treden met de blanke buitengeleider en waarbij het naar boven stekende 15 einde van het althans ene tweede contactorgaan eveneens is gevormd als opsteekcontact, waarvan de centrale snijgleuf door de eventuele isolatie van een binnengeleider in electrische verbinding kan treden met de blanke binnengeleider alsmede een kap die over de opsteekcontacten op de bodemplaat kan worden geplaatst en hieraan kan worden vergrendeld, 20 met het kenmerk, dat de kap (2) is voorzien van speciaal gevormde ruimten, die vanaf een in een zijwand van de kap aangebrachte insteekopening voor de coaxiale kabel in de kap, in de insteekrichting van de kabel achter elkaar zijn gelegen en vanaf de insteekopening afnemende binnenmaten bezitten voor het opnemen en althans gedeeltelijk 25 ondersteunen van het volgens een bepaald passend strippatroon voorbereide uiteinde van de kabel, en dat de kap verder is voorzien van doorvoeren voor de opsteekcontacten, welke doorvoeren vanaf de zijde van de kap die op de bodemplaat wordt gedrukt tot in bepaalde van de genoemde ruimten doorlopen, zodat de opsteekcontacten tot in genoemde ruimten 30 kunnen doordringen.
2. Contactinrichting volgens conclusie 1, m e t het k e nm e r k, dat de ruimte (9) in de kap (2) voor het opnemen van de buitenmantel van de coaxiale kabel aan de naar de bodemplaat (1) gekeerde zijde open 35 is en dat de bodemplaat (1) is voorzien van een opstaand deel, dat schuivend in deze open zijde past en een aan de uitwendige diameter van genoemde kabel aangepast bovenoppervlak (8) bezit, welk opstaand deel een zodanige lengte bezit, dat na het op de bodemplaat (1) vergrendelen van de kap (2) een ruimte ontstaat, die de buitenmantel van de coaxiale 40 kabel alzijdig zal ondersteunen. 880 0- m- V
3. Contactinrichting volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat de kap (2) is voorzien van althans een venster (19) dat vanaf de buitenzijde van de kap (2) doordringt tot in althans een deel van genoemde ruimten in de kap. 5
4. Contactinrichting volgens een van de voorgaande conclusies, met het kenmer k, dat dé bodemplaat (1) is voorzien van twee veerkrachtige vergrendellippen (17), die vanaf respectievelijke zijranden van de bodemplaat (1) tegenover elkaar gelegen naar boven steken en 10 aan hun vrije boveneinden zijn voorzien van naar binnen springende nokken (22) en dat de kap (2) is voorzien van achter elkaar gelegen vlakken (28, 18) waarachter de naar binnen springende nokken (22) achtereenvolgens kunnen grijpen als de kap op de bodemplaat wordt gedrukt.
5. Contactinrichting volgens een van de voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de kap (2) is voorzien van sleuven (14, 15) voor het opnemen van de platte opsteekcontacten (3, 4), welke sleuven zodanige afmetingen bezitten dat de opsteekcontacten alzijdig worden ondersteund. 20
6. Contactinrichting volgens conclusie 5,met het kenmerk, dat de breedte van de sleuven (14, 15) dwars op de insteek-richting gelijk is aan de breedte van de opsteekcontacten.
7. Contactinrichting volgens althans een van de voorgaande conclu sies, met het kenmerk, dat het naar boven stekende deel van althans het eerste contactorgaan (3) is uitgevoerd als dubbel opsteek-contact met evenwijdige contactorganen, waarvan de vorkachtige tanden (6) in de insteekrichting gezien achtereenvolgens zijn voorzien van een 30 scherp dwars mes (29) op de top van elke tand voor het insnijden van de externe isolatiemantel, althans een schuin snijmes (31, 32) voor het verder doorsnijden van de isolatiemantel, en een vlak, evenwijdig aan de insteekrichting van de kabel, dat contact maakt met de blanke geleider, een en ander zodanig dat een trapsgewijze doorsnijding van de 35 kabelisolatie wordt verkregen.
8. Contactinrichting volgens conclusie 7,met het kenmerk, dat zich vanaf het scherpe dwarse mes (29) op de top van elke tand (6) een schuin snijmes (32) naar buiten uitstrekt. o t hd 'J V yr* V ί 3 13 ;
9. Contactinrichting volgens conclusie 7,met het kenmerk, dat vanaf het scherpe dwarse mes (29) op de top van elke tand (6) aan de binnenzijde eerst een plat deel (33) aansluit, evenwijdig aan de insteekrichting, welk plat deel (33) vervolgens overgaat in een 5 schuin naar binnen verlopend snijmes (31). j # [ - f f ***** l £ > Λ Λ Λ f, A O -J \j 'j v “4 i
Priority Applications (11)
Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
---|---|---|---|
NL8600041A NL8600041A (nl) | 1985-12-23 | 1986-01-10 | Contactinrichting voor een afgeschermde kabel. |
CA000525495A CA1284526C (en) | 1985-12-23 | 1986-12-16 | Connector for a coaxial cable |
US06/942,187 US4701001A (en) | 1985-12-23 | 1986-12-16 | Connector for a coaxial cable |
BR8606315A BR8606315A (pt) | 1985-12-23 | 1986-12-19 | Conector para um cabo coaxial |
MX4748A MX160129A (es) | 1985-12-23 | 1986-12-22 | Mejoras en conector para un cable coaxial |
KR1019860011070A KR950002034B1 (ko) | 1985-12-23 | 1986-12-22 | 동축 케이블용 접속기 |
AT86202372T ATE88298T1 (de) | 1985-12-23 | 1986-12-23 | Verbinder fuer ein koaxialkabel. |
JP61305585A JPS62160672A (ja) | 1985-12-23 | 1986-12-23 | コネクタ |
EP86202372A EP0228750B1 (en) | 1985-12-23 | 1986-12-23 | Connector for a coaxial cable |
DE86202372T DE3688284T2 (de) | 1985-12-23 | 1986-12-23 | Verbinder für ein Koaxialkabel. |
JP1995013451U JP2577476Y2 (ja) | 1985-12-23 | 1995-12-19 | コネクタ |
Applications Claiming Priority (4)
Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
---|---|---|---|
NL8503553A NL8503553A (nl) | 1985-12-23 | 1985-12-23 | Contactinrichting voor een afgeschermde kabel. |
NL8503553 | 1986-01-10 | ||
NL8600041A NL8600041A (nl) | 1985-12-23 | 1986-01-10 | Contactinrichting voor een afgeschermde kabel. |
NL8600041 | 1986-01-10 |
Publications (1)
Publication Number | Publication Date |
---|---|
NL8600041A true NL8600041A (nl) | 1987-07-16 |
Family
ID=26646095
Family Applications (1)
Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
---|---|---|---|
NL8600041A NL8600041A (nl) | 1985-12-23 | 1986-01-10 | Contactinrichting voor een afgeschermde kabel. |
Country Status (10)
Country | Link |
---|---|
US (1) | US4701001A (nl) |
EP (1) | EP0228750B1 (nl) |
JP (1) | JP2577476Y2 (nl) |
KR (1) | KR950002034B1 (nl) |
AT (1) | ATE88298T1 (nl) |
BR (1) | BR8606315A (nl) |
CA (1) | CA1284526C (nl) |
DE (1) | DE3688284T2 (nl) |
MX (1) | MX160129A (nl) |
NL (1) | NL8600041A (nl) |
Families Citing this family (55)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
NL8503553A (nl) * | 1985-12-23 | 1987-07-16 | Du Pont Nederland | Contactinrichting voor een afgeschermde kabel. |
JPH0821450B2 (ja) * | 1987-10-05 | 1996-03-04 | 日本電気株式会社 | 高速信号用コネクタ |
US4887977A (en) * | 1988-06-15 | 1989-12-19 | E. I. Dupont De Nemours And Company | Cable connector haing a resilient cover |
US4981442A (en) * | 1989-03-23 | 1991-01-01 | Nippon Acchakutanshi Seizo Kabushiki Kaisha | Electrical harness |
JPH02131281U (nl) * | 1989-04-06 | 1990-10-31 | ||
FR2646024B1 (fr) * | 1989-04-14 | 1993-08-06 | Entrelec Sa | Connecteur de piquage pour cable electrique blinde |
JPH031460A (ja) * | 1989-05-30 | 1991-01-08 | Amp Japan Ltd | 電気コネクタ |
JP2906469B2 (ja) * | 1989-08-20 | 1999-06-21 | オムロン株式会社 | シールド線用コネクタ |
US5060373A (en) * | 1989-08-22 | 1991-10-29 | The Phoenix Company Of Chicago, Inc. | Methods for making coaxial connectors |
FR2655208B1 (fr) * | 1989-11-24 | 1994-02-18 | Alcatel Cit | Boitier metallique pour connecteur electrique. |
US4973258A (en) * | 1989-12-21 | 1990-11-27 | E. I. Du Pont De Nemours And Company | Grounding clip of the insulation displacement type |
FR2658956B1 (fr) * | 1990-02-26 | 1994-02-25 | Alcatel Radiotelephone | Dispositif pour fixer un cable coaxial, et le relier a la masse d'une plaque de circuit imprime. |
US5052944A (en) * | 1991-01-28 | 1991-10-01 | Hirose Electric Co., Ltd. | Low profile coaxial connector |
JPH082926Y2 (ja) * | 1991-03-29 | 1996-01-29 | 日本板硝子株式会社 | アンテナコネクタ |
SE468918B (sv) * | 1991-08-16 | 1993-04-05 | Molex Inc | Skarvdon foer skarvning av tvaa koaxialkablar |
NO175334C (no) * | 1992-03-26 | 1994-09-28 | Kaare Johnsen | Kontakthus for koaksialkabel |
US5419718A (en) * | 1992-09-02 | 1995-05-30 | The Whitaker Corporation | Mixed coaxial connector |
NO312868B1 (no) | 1994-09-28 | 2002-07-08 | Siemens Ag | Tilkoblingsinnretning for knivklemme |
DE4434702C1 (de) * | 1994-09-28 | 1996-01-18 | Siemens Ag | Schneidklemm-Anschlußeinrichtung für Koaxialkabel |
US5597323A (en) * | 1995-08-07 | 1997-01-28 | The Whitaker Corporation | RF connector jack and plug assembly |
US6155847A (en) * | 1997-05-27 | 2000-12-05 | Osram Sylvania Inc. | Grounding device |
US6053743A (en) * | 1997-06-26 | 2000-04-25 | Motorols, Inc. | Clip for surface mount termination of a coaxial cable |
DE19801260C2 (de) * | 1998-01-09 | 2002-01-24 | Wago Verwaltungs Gmbh | Wand-Durchführungsklemme für elektr. Leiter |
DE29807349U1 (de) * | 1998-04-24 | 1998-06-18 | HARTING KGaA, 32339 Espelkamp | Steckverbinder |
DE19823957A1 (de) | 1998-05-28 | 1999-12-09 | Siemens Ag | HF-Steckverbinder mit versetzten Schneiden |
DE20001782U1 (de) * | 2000-02-02 | 2001-06-13 | Weidmüller Interface GmbH & Co, 32760 Detmold | Schneidvorrichtung für Schirmkabel |
DE20001912U1 (de) * | 2000-02-03 | 2001-06-13 | Weidmüller Interface GmbH & Co, 32760 Detmold | Verbindungs- und/oder Verteilerelement für Schirmkabel |
US6746268B2 (en) * | 2001-12-05 | 2004-06-08 | Tyco Electronics Corporation | Coaxial cable displacement contact |
US6994587B2 (en) * | 2003-07-23 | 2006-02-07 | Andrew Corporation | Coaxial cable connector installable with common tools |
JP3902619B2 (ja) * | 2003-10-30 | 2007-04-11 | Tdk株式会社 | 光合分波器及びその製造方法 |
JP4084292B2 (ja) * | 2003-11-21 | 2008-04-30 | 日本圧着端子製造株式会社 | 同軸ケーブルの圧接構造 |
US7134903B1 (en) | 2005-10-12 | 2006-11-14 | Lear Corporation | Insulation displacement connection |
US20070082539A1 (en) * | 2005-10-12 | 2007-04-12 | Slobadan Pavlovic | Insulation displacement connection for securing an insulated conductor |
US7059889B1 (en) | 2005-10-12 | 2006-06-13 | Lear Corporation | Splice block for interconnecting electrical conductors |
US7384307B1 (en) * | 2007-08-07 | 2008-06-10 | Ezconn Corporation | Coaxial cable end connector |
JP4716381B2 (ja) * | 2007-09-04 | 2011-07-06 | ヒロセ電機株式会社 | 電気コネクタ |
JP5070021B2 (ja) * | 2007-12-05 | 2012-11-07 | 矢崎総業株式会社 | コネクタ |
GB2510280B (en) * | 2009-09-10 | 2014-10-08 | Avx Corp | Capped insulation displacement connector (IDC) |
US7976334B2 (en) * | 2009-09-10 | 2011-07-12 | Avx Corporation | Capped insulation displacement connector (IDC) |
US8109783B2 (en) | 2010-06-30 | 2012-02-07 | Avx Corporation | Insulation displacement connector (IDC) |
JP5756608B2 (ja) * | 2010-07-15 | 2015-07-29 | 矢崎総業株式会社 | コネクタ |
KR101099002B1 (ko) * | 2011-03-08 | 2011-12-29 | 주식회사 조우테크 | 전선 이음 커넥터 |
DE202011000836U1 (de) * | 2011-04-08 | 2011-08-10 | Fhf Funke + Huster Fernsig Gmbh | Explosionsgeschützter Steckverbinder |
DE102011086294A1 (de) * | 2011-11-14 | 2013-05-16 | Endress + Hauser Flowtec Ag | Printklemme für Koaxialkabel |
US8568157B2 (en) | 2012-02-29 | 2013-10-29 | Avx Corporation | Cap body insulation displacement connector (IDC) |
US9004937B2 (en) * | 2012-08-30 | 2015-04-14 | Zierick Manufacturing Corporation | Surface mount/through-hole crimp piercing zipcord connector |
DE102013012251A1 (de) * | 2013-07-24 | 2015-01-29 | Erni Production Gmbh & Co. Kg | Terminal zur Kontaktierung eines elektrischen Leiters |
WO2015017493A1 (en) * | 2013-07-30 | 2015-02-05 | FCI Asia Pte. Ltd. | Insulation displacement connector |
US10050395B2 (en) | 2013-12-06 | 2018-08-14 | Fci Usa Llc | Cable for electrical power connection |
USD764412S1 (en) | 2014-05-19 | 2016-08-23 | Fci Americas Technology Llc | Electrically conductive contact |
EP3266069B1 (en) | 2015-03-03 | 2021-12-29 | Amphenol FCI Asia Pte Ltd | Insulation displacement connector |
US10895708B2 (en) * | 2015-08-05 | 2021-01-19 | Electric Motion Company, Inc. | Locatable duct tracer wire bonding connector |
US20190044258A1 (en) * | 2017-08-07 | 2019-02-07 | Commscope Technologies Llc | Cable connector block assemblies for base station antennas |
CN111193117B (zh) * | 2018-11-15 | 2021-12-31 | 唐虞企业股份有限公司 | 线材连接器 |
WO2021118812A1 (en) | 2019-12-12 | 2021-06-17 | Commscope Technologies Llc | Dual coax network with power distribution and mid-span tap for signals and/or power from same |
Family Cites Families (15)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
US3804971A (en) * | 1971-06-28 | 1974-04-16 | Minnesota Mining & Mfg | Solderless wire connector |
CA963552A (en) * | 1971-06-28 | 1975-02-25 | James H. Bazille (Jr.) | Solderless wire connector |
US4033661A (en) * | 1974-06-20 | 1977-07-05 | Panduit Corporation | Solderless connector for insulated wires |
US3963319A (en) * | 1974-12-12 | 1976-06-15 | Amp Incorporated | Coaxial ribbon cable terminator |
US3985416A (en) * | 1975-03-05 | 1976-10-12 | Amp Incorporated | Opposed edge slotted terminal electrical connector |
CA1096455A (en) * | 1977-08-12 | 1981-02-24 | Joseph M. Ensminger | Electrical connector with dual position latches |
FR2408923A1 (fr) * | 1977-09-21 | 1979-06-08 | Alsthom Cgee | Borne a raccordement rapide |
DE3108931A1 (de) * | 1981-03-10 | 1982-11-18 | Rolf Friedhelm 5600 Wuppertal Siemers | Reihenklemme |
US4405193A (en) * | 1981-06-08 | 1983-09-20 | Amp Incorporated | Preloaded electrical connector |
US4466687A (en) * | 1982-05-20 | 1984-08-21 | Amp Incorporated | Low profile connector providing high density application |
JPS5949167A (ja) * | 1982-08-09 | 1984-03-21 | モレツクス・インコ−ポレ−テツド | マルチゲ−ジ絶縁体排除コネクタ−とそのためのコンタクト |
US4533197A (en) * | 1983-05-18 | 1985-08-06 | Prince Thomas F | Junction block for shielded communications network line |
US4533199A (en) * | 1983-11-14 | 1985-08-06 | Burndy Corporation | IDC termination for coaxial cable |
EP0163361B1 (en) * | 1984-04-04 | 1988-02-03 | Molex Incorporated | Electrical connector for coaxial cables |
US4632486A (en) * | 1985-05-29 | 1986-12-30 | E. I. Du Pont De Nemours And Company | Insulation displacement coaxial cable termination and method |
-
1986
- 1986-01-10 NL NL8600041A patent/NL8600041A/nl not_active Application Discontinuation
- 1986-12-16 US US06/942,187 patent/US4701001A/en not_active Expired - Lifetime
- 1986-12-16 CA CA000525495A patent/CA1284526C/en not_active Expired - Lifetime
- 1986-12-19 BR BR8606315A patent/BR8606315A/pt unknown
- 1986-12-22 MX MX4748A patent/MX160129A/es unknown
- 1986-12-22 KR KR1019860011070A patent/KR950002034B1/ko not_active IP Right Cessation
- 1986-12-23 AT AT86202372T patent/ATE88298T1/de active
- 1986-12-23 EP EP86202372A patent/EP0228750B1/en not_active Expired - Lifetime
- 1986-12-23 DE DE86202372T patent/DE3688284T2/de not_active Expired - Fee Related
-
1995
- 1995-12-19 JP JP1995013451U patent/JP2577476Y2/ja not_active Expired - Lifetime
Also Published As
Publication number | Publication date |
---|---|
MX160129A (es) | 1989-12-06 |
JP2577476Y2 (ja) | 1998-07-30 |
US4701001A (en) | 1987-10-20 |
CA1284526C (en) | 1991-05-28 |
DE3688284T2 (de) | 1993-10-28 |
KR870007587A (ko) | 1987-08-20 |
ATE88298T1 (de) | 1993-04-15 |
KR950002034B1 (ko) | 1995-03-08 |
BR8606315A (pt) | 1987-10-06 |
DE3688284D1 (de) | 1993-05-19 |
EP0228750A1 (en) | 1987-07-15 |
EP0228750B1 (en) | 1993-04-14 |
JPH08898U (ja) | 1996-05-31 |
Similar Documents
Publication | Publication Date | Title |
---|---|---|
NL8600041A (nl) | Contactinrichting voor een afgeschermde kabel. | |
US3963319A (en) | Coaxial ribbon cable terminator | |
US4261632A (en) | Coaxial cable connector | |
EP1796218B1 (en) | Connector with ground connection improved in protection against a noise trouble | |
US5387130A (en) | Shielded electrical cable assembly with shielding back shell | |
US5415567A (en) | Wire management adapters for terminating a cable | |
US5456005A (en) | Method and apparatus for securing a crimp-style terminal to a cable | |
US4586776A (en) | Cable termination assembly and wire stripping apparatus and method | |
JP3970321B2 (ja) | 電線接続システム | |
HU196864B (en) | Cutting-clamping sleeve contact | |
NL9101695A (nl) | Contact voor een kabel met een of meer binnengeleiders. | |
US5133677A (en) | Electrical connector and method of connecting shielded cable to same | |
US4677702A (en) | Wire insulation stripper guide | |
US4412374A (en) | Device for clamping an insulated cable wire to a terminal element | |
EP0429961A1 (en) | Multiconductor cable connector and method of loading same | |
NL8503553A (nl) | Contactinrichting voor een afgeschermde kabel. | |
US3867760A (en) | Printed circuit board lead wire receptacle | |
US4799903A (en) | Electrical connector with safety partition | |
NL8500623A (nl) | Elektrische steker. | |
IE53939B1 (en) | Terminal element | |
NL1012341C2 (nl) | Aansluitdoos voor een datanet. | |
US5238428A (en) | Round-to-flat shielded connector assembly | |
NL1022159C2 (nl) | Kabelconnector en methode voor het vervaardigen van een kabelconnector. | |
NL8105229A (nl) | Connectormontageblok. | |
GB2112216A (en) | Electrical connectors for use telecommunications equipment |
Legal Events
Date | Code | Title | Description |
---|---|---|---|
A1B | A search report has been drawn up | ||
BV | The patent application has lapsed |