NL8502074A - Paneel voor het bekleden van een vlak. - Google Patents
Paneel voor het bekleden van een vlak. Download PDFInfo
- Publication number
- NL8502074A NL8502074A NL8502074A NL8502074A NL8502074A NL 8502074 A NL8502074 A NL 8502074A NL 8502074 A NL8502074 A NL 8502074A NL 8502074 A NL8502074 A NL 8502074A NL 8502074 A NL8502074 A NL 8502074A
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- edge
- profile
- panel
- shaped
- panels
- Prior art date
Links
- 238000005253 cladding Methods 0.000 title abstract description 3
- 238000010276 construction Methods 0.000 claims description 31
- 239000004071 soot Substances 0.000 claims description 3
- 230000001174 ascending effect Effects 0.000 claims 2
- 230000000284 resting effect Effects 0.000 abstract 1
- XLYOFNOQVPJJNP-UHFFFAOYSA-N water Substances O XLYOFNOQVPJJNP-UHFFFAOYSA-N 0.000 description 5
- 238000005452 bending Methods 0.000 description 2
- 239000011248 coating agent Substances 0.000 description 2
- 238000000576 coating method Methods 0.000 description 2
- 239000011435 rock Substances 0.000 description 2
- 230000002411 adverse Effects 0.000 description 1
- 239000006229 carbon black Substances 0.000 description 1
- 239000011810 insulating material Substances 0.000 description 1
- 238000007789 sealing Methods 0.000 description 1
- 238000009423 ventilation Methods 0.000 description 1
Classifications
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E04—BUILDING
- E04C—STRUCTURAL ELEMENTS; BUILDING MATERIALS
- E04C2/00—Building elements of relatively thin form for the construction of parts of buildings, e.g. sheet materials, slabs, or panels
- E04C2/02—Building elements of relatively thin form for the construction of parts of buildings, e.g. sheet materials, slabs, or panels characterised by specified materials
- E04C2/08—Building elements of relatively thin form for the construction of parts of buildings, e.g. sheet materials, slabs, or panels characterised by specified materials of metal, e.g. sheet metal
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E04—BUILDING
- E04D—ROOF COVERINGS; SKY-LIGHTS; GUTTERS; ROOF-WORKING TOOLS
- E04D13/00—Special arrangements or devices in connection with roof coverings; Protection against birds; Roof drainage ; Sky-lights
- E04D13/14—Junctions of roof sheathings to chimneys or other parts extending above the roof
- E04D13/1407—Junctions of roof sheathings to chimneys or other parts extending above the roof for flat roofs
- E04D13/1415—Junctions to walls extending above the perimeter of the roof
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E04—BUILDING
- E04D—ROOF COVERINGS; SKY-LIGHTS; GUTTERS; ROOF-WORKING TOOLS
- E04D13/00—Special arrangements or devices in connection with roof coverings; Protection against birds; Roof drainage ; Sky-lights
- E04D13/15—Trimming strips; Edge strips; Fascias; Expansion joints for roofs
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E04—BUILDING
- E04D—ROOF COVERINGS; SKY-LIGHTS; GUTTERS; ROOF-WORKING TOOLS
- E04D13/00—Special arrangements or devices in connection with roof coverings; Protection against birds; Roof drainage ; Sky-lights
- E04D13/15—Trimming strips; Edge strips; Fascias; Expansion joints for roofs
- E04D13/158—Trimming strips; Edge strips; Fascias; Expansion joints for roofs covering the overhang at the eave side, e.g. soffits, or the verge of saddle roofs
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E04—BUILDING
- E04D—ROOF COVERINGS; SKY-LIGHTS; GUTTERS; ROOF-WORKING TOOLS
- E04D3/00—Roof covering by making use of flat or curved slabs or stiff sheets
- E04D3/24—Roof covering by making use of flat or curved slabs or stiff sheets with special cross-section, e.g. with corrugations on both sides, with ribs, flanges, or the like
- E04D3/30—Roof covering by making use of flat or curved slabs or stiff sheets with special cross-section, e.g. with corrugations on both sides, with ribs, flanges, or the like of metal
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E04—BUILDING
- E04D—ROOF COVERINGS; SKY-LIGHTS; GUTTERS; ROOF-WORKING TOOLS
- E04D3/00—Roof covering by making use of flat or curved slabs or stiff sheets
- E04D3/36—Connecting; Fastening
- E04D3/361—Connecting; Fastening by specially-profiled marginal portions of the slabs or sheets
- E04D3/362—Connecting; Fastening by specially-profiled marginal portions of the slabs or sheets by locking the edge of one slab or sheet within the profiled marginal portion of the adjacent slab or sheet, e.g. using separate connecting elements
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E04—BUILDING
- E04D—ROOF COVERINGS; SKY-LIGHTS; GUTTERS; ROOF-WORKING TOOLS
- E04D3/00—Roof covering by making use of flat or curved slabs or stiff sheets
- E04D3/36—Connecting; Fastening
- E04D3/361—Connecting; Fastening by specially-profiled marginal portions of the slabs or sheets
- E04D2003/3617—Connecting; Fastening by specially-profiled marginal portions of the slabs or sheets with locking or snapping edges located in the thickness of the slab or sheet
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Architecture (AREA)
- Civil Engineering (AREA)
- Structural Engineering (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- Roof Covering Using Slabs Or Stiff Sheets (AREA)
Description
Paneel voor het bekleden van een vlak.
M.O. 33.130
De uitvinding betreft een rechthoekig paneel voor het bekleden van een vlak, in het bij zender een dakpaneel waarbij meerdere panelen met hun langsranden naast elkaar liggend in een rij of eventueel in meerdere onder elkaar liggende rijen op een draag-5 constructie worden bevestigd, welk paneel elk van een profiel voorziene langsranden heeft waarbij een eerste profiel langs de ene langsrand een gootvonnig deel omvat met twee zijwanden en een bodem, een deel dat, wanneer het paneel is aangebracht, tegen de draagconstructie aanligt, en een oplegvlak voor het ondersteunen van de andere langsrand van een 10 naastliggend paneel, en het tweede profiel langs de andere langsrand een deel heeft dat, wanneer het paneel is aangebracht, op het oplegvlak van het eerste profiel van een naastliggend paneel rust en het goot-vormige deel daarvan ten minste gedeeltelijk overlapt. Een dergelijk paneel is bekend uit de Nederlandse octrooiaanvrage 7503899.
15 Bij het bekende paneel omvatten beide langsrandprofielen, omgekeerd U-vormig met een in wezen vlakke bovenkant uit het vlak van het paneel omhoog gebogen delen, zodat bij twee naast elkaar aangebrachte panelen het eerste U-vormige profiel door het tweede U-vormige profiel van het naastliggende paneel wordt omgrepen, waarbij 20 een verbind ingsorgaan door deze op elkaar gelegen delen heen is aangebracht. Bij het eerste profiel is het eindbeen van het U-vormig gebogen deel naar beneden toe verlengd en bij het vrije eind tot een voet, horizontaal naar buiten gebogen, welke voet, bij het aanbrengen van het paneel tegen de draagconstructie aanligt. In de vlakke boven-25 kant van het U-vormige eerste profiel is het gootvormige deel naar beneden uitgebogen, zodat bij twee naast elkaar aangebrachte panelen dit gootvormige deel door de vlakke bovenkant van het tweede U-vormige profiel van het naastliggende paneel wordt overdekt. Dit gootvormige deel dient cm water weg te leiden dat mogelijk tussen de op elkaar 30 liggende geprofileerde langsranden is doorgedrongen.
Met het bekende paneel ontstaat dus bij de zichtzijde van een door een aantal van deze panelen gevormde bekleding van een vlak, een reliëf van, uit het vlak van de panelen uitstekende ribben die worden gevormd door de U-vormige delen. Zo'n reliëf is echter vaak 35 niet gewenst cm esthetische redenen.
Bovendien zijn tevens de verbindingsorganen zichtbaar wat ook ongewenst is. Daarbij is de waterdichtheid van zo'n door de bekende V Λ 2 panelen gevormde bekleding afhankelijk van de waterdichtheid bij de punten waar de verbindingsorganen zijn doorgevoerd, zodat deze verbindingsorganen met grote zorg moeten worden aangebracht of moeten worden voorzien van afdichtmiddelen, wat kosten met zich meebrengt.
5 Het doel van de uitvinding is een paneel van het genoemde type te verschaffen dat deze nadelen niet met zich meebrengt.
Dit doel wordt bereikt doordat bij een paneel volgens de uitvinding de profielen langs de langsranden van het paneel elk uit een aan de onderkant van het paneel bevestigd of gevormd profielstuk 10 bestaan, waarbij het gootvormige deel van het eerste randprofielstuk een eerste zijwand heeft die vanaf de onderkant van het vlakke paneel,, nabij de overlangse eindrand daarvan, naar beneden uitsteekt en de bodem van dit gootvormige deel tot voorbij deze eindrand reikt en bij het aanbrengen van het paneel (¾) de ondersteuningsconstructie komt te 15 rusten en daarop kan worden bevestigd door middel van bevestigingsmiddelen die in wezen buiten de binnenkant van de goot daarmee in aangrijping zijn, en het oplegvlak buiten de eindrand van het paneel, ter hoogte van het onderoppervlak van het paneel is gelegen, en dit eerste randprofielstuk verder een aanslag heeft en een eerste vastleg-20 orgaan, terwijl het tegenover liggende, tweede randprofieldeel een nabij de eindrand van het paneel, van de onderkant daarvan naar beneden uitstekend profielstuk heeft met een tweede vastlegorgaan en een aanslagvlak dat zodanig is gelegen dat, wanneer het paneel is aangebracht, en dit aanslagvlak tegen de aanslag van het eerste rand-25 profiel van een naastliggend paneel aanligt, de naar elkaar toe gerichte eindranden van de twee panelen op een betrékkelijk kleine afstand van elkaar liggen zodat een open voeg wordt gevormd, waarbij deze open voeg zich boven het genoemde gootvormige deel bevindt en de onderkant van het paneel dat zich tussen het genoemde profielstuk en de 30 eindrand van het paneel uitstrekt, op het oplegvlak van het eerste randprofielstuk van het naastliggende paneel rust, terwijl het eerste vastlegorgaan van het eerste randprofiel van het naastliggende paneel zodanig in ingrijping is met het tweede vastlegorgaan, dat de eindrand met het tweede randprofiel niet omhoog kan bewegen.
35 Met op deze wijze uitgevoerde panelen wordt een bekleding verkregen die aan de zichtzijde geen reliëf behoeft te vertonen, terwijl de waterdichtheid wordt verkregen door een gecontroleerde waterafvoer die via de open voegen door middel van het gootvormige deel van het eerste randprofiel plaats vindt. Bovendien wordt de onderlinge λ na .' ^ fj 'J -j y i ^ 3 vastlegging van de panelen verkregen door samenwerkende vastlegorganen, zodat geen, de waterdichtheid nadelig beïnvloedende, door de panelen heen aangebrachte bevestigingsmiddelen nodig zijn.
Bij voorkeur wordt het oplegvlak van het eerste rand-5 profielstuk gevormd door de bovenkant van de eerste zijwand van een tweede gootvormig deel dat smaller is dan het eerstgenoemde gootvonnige deel en waarvan de tweede zijwand wordt gevormd door het bovenste, vanaf de onderkant van het paneel lopende deel van de eerste zijwand van het eerste gootvonnige deel, waarbij de tweede zijwand van het 10 eerste gootvonnige deel eindigt op een hoogte die op een afstand ligt onder de onderkant van de bodem van het tweede gootvonnige deel.
Daarbij kan het eerste vastlegorgaan van het eerste rand-profieldeel worden gevormd door dit genoemde tweede gootvonnige deel, waarbij dan het tweede vastlegorgaan van het naar beneden uitstékende 15 profieldeel van het tweede randprofiel cp voordelige wijze wordt gevormd door een, op enige afstand naar binnen van de langsrand van het paneel, van de onderkant daarvan uitstékende rib en een zich van het vrije eind daarvan naar buiten uitstekende lip, waarbij deze lip en de rib een zodanige lengte hebben dat, bij twee naast elkaar liggende 20 panelen, het tweede gootvonnige deel van het eerste randprofiel van het naastliggende paneel, met een geringe speling, ten minste gedeeltelijk kan worden opgencmen in de ruimte tussen de lip, de rib si de onderkant van het zich, vanaf de rib naar buiten uitstrekkende randdeel van het paneel.
25 Op voordelige wijze kan de aanslag van het eerste rand profiel warden gevormd door een aan de onderkant van de boden van het tweede gootvonnige deel gevormde schouder, en het aanslagvlak van het tweede randprofiel worden gevormd door het kcpvlak van de genoemde lip.
30 Met op deze wijze uitgevoerde profileringen langs de langs- kanten van de panelen wordt bereikt dat bij het aanbrengen van de panelen op de draagconstructie, zonder dat een nauwkeurige maatvoering in de breedterichting nodig is, aan de zichtzijde een open langsvoeg wordt gevormd, doordat de panelen eenvoudigweg tegen elkaar aan worden 35 geschoven. Daarbij worden de, als gevolg van tenperatuur schamelingen cp tredende uitzettingen van de panelen in dwarsrichting omgezet in een buigend moment, waardoor de panelen over de breedte van de bekleding iets cmhoog worden gebogen,
De panelen kunnen echter ook zodanig worden aangebracht dat J .· v .. ‘J J 4 * % 4 het genoemde aanslagvlak niet tegen de aanslag aanligt, waardoor bredere open voegen worden verkregen. Dan kan in het tweede gootvormige deel van het eerste randprofiel een profielstrook in de vorm van een omgekeerde T worden geschoven, zodat het been van de T tussen de naar 5 elkaar toe gerichte eindranden van twee naast elkaar liggende panelen, over enige afstand naar buiten uitsteekt, waardoor een soort schijnroeven ontstaan.
Bij het aanbrengen van panelen op een draagconstructie kunnen in wezen in het midden van het te bekleden vlak twee panelen met 10 hun tweede randprofielen naast elkaar liggend, aan de draagconstructie worden bevestigd, zodat de tweede vastlegorganen naar elkaar toe zijn gericht, waarbij dan een in wezen I-vormige profielstrook wordt aangebracht, waarvan het bovenste dwarsdeel in de twee tweede vastlegorganen is opgencmen en waarvan het onderste dwarsdeel op de 15 draagconstructie rust en gootvormig is uitgevoerd.
Op deze wijze hebben de eindpanelen bij de einden van het te bekleden vlak dezelfde oriëntatie.
Wanneer meerdere rijen van naast elkaar gelegen panelen onder elkaar moeten worden aangebracht, dan worden telkens bij twee 20 onder elkaar liggende rijen panelen, onder de dwars op de langsranden lopende stootvoegen, plaatvormige onderlegorganen aangebracht , die elk een plat plaatvormig, in wezen rechthoekig bovendeel omvatten dat bij de onderkant via een tussendeel met schuin naar elkaar toelopende, opstaande randen overgaat in een gootvormig deel, waarbij het platte 25 bovendeel onder de in elkaar grijpende randprofielen van een bovenste rij panelen ligt en het gootvormige deel op de bodem van het eerste gootvormige deel van een eerste randprofiel van een onderste rij panelen liggend, daarin uitmondt, waarbij een bovenste deel van de eerste gootvormige delen is afgesneden voor het plaatsen van de 30 tussendelen van de onderlegorganen.
Wanneer met de panelen een dak met een nok moet worden bekleed, dan worden onder de boveneinden van de aan weerskanten van de nok gelegen panelen verholen nokvorsten aangebracht, die de draagconstructie overdekken en die elk in wezen worden gevormd door twee van 35 de genoemde plaatvormige onderlegorganen die bij de bovenkanten met elkaar zijn verbonden en volgens de nokhoek schuin naar elkaar toelopen. Daarbij kunnen aan de bovenste dwarskanten van de aan weerskanten van de nok gelegen panelen afdekprofielstukken zijn aangebracht, die de nok niet geheel afsluiten, zodat ventilatie mogelijk blijft.
S 5 0 2 0 7 4 5 *'·*..
Aan de onderste dwarskanten van de onderste rij panelen kan een afwerklijst worden aangebracht, omvattende een eerste profielstuk bestaande uit een dekstrock met langs de ene langskant een in wezen haakvormige aangrijprand, een in het middengebied van deze strook 5 gelegen, in dezelfde richting als deze haakvormige aangrijprand, daarvan uitstekende rib die bij het vrije eind een uitgespaarde aangrijprand heeft, terwijl het andere overlangse randdeel naar binnen in de richting van de rib is gebogen, en een tweede prof iel stuk bestaande uit een strook met langs de ene langsrand een inkeping in het buiten-10 oppervlak van de strook en een, op enige afstand van deze rand, vanaf het binnencppervlak uitstekende rib die bij het vrije eind een kop draagt die in de richting naar de genoemde ene langsrand uitsteekt en waaraan een ingrijprand is gevormd, waarbij het eerste prof iels tuk met de genoemde uitstékende rib aan de panelen is bevestigd zodat de eind-15 rand van het naar binnen gebogen randdeel tegen het bovenoppervlak van deze panelen aanligt en het tweede profielstuk met de inkeping cm de genoemde haakvormige aangrijprand van het eerste profielstuk grijpend en met de ingrijprand in de uitgespaarde aangrijprand grijpend is vastgesnapt.
20 Bij de aansluiting op een topgevel kan een aansluitprofiel- stuk aan de topgevel worden bevestigd, bestaande uit een strook met langs de ene langsrand een inkeping in het buitenoppervlak van de strook en een op enige afstand van deze rand, vanaf het binnencppervlak uitstekende rib die bij het vrije eind een kop draagt die in de 25 richting naar de genoemde ene langsrand uitsteekt en waarin een gleuf is gevormd waarvan de zijwanden evenwijdig met de strook lopen en de bodem zich aan de kant van de genoemde langsrand bevindt, welke kop verder een ingrijprand heeft, welk profielstuk zodanig is aangebracht dat de strook langs de topgevel loopt en de genoemde gleuf over de 30 bovenrand van de buitenste zijwand van een afzonderlijk onder de overlangse zijrand van een overlangs doorgesneden buitenste paneel, op de ondersteuningsconstructie bevestigd, een goot vormend U-profiel grijpt, en een afdekprofielstuk is aangebracht bestaande uit een dek-strook met langs de ene langskant een in wezen haakvormige aangrijp-35 rand, een in het middengebied van deze strode gelegen, in dezelfde richting als de haakvormige aangrijprand daarvan uitstekende rib die bij het vrije eind een uitgespaarde aangrijprand heeft, terwijl het andere overlangse randdeel naar binnen in de richting van de rib is gebogen welk afdekprofielstuk met de haakvormige aangrijprand in de 8 o 0 l u ( ·* i ft 6 genoemde inkeping van het aansluitprofielstuk grijpend en, met de uitgespaarde aangrijprand cm de ingrijprand grijpend is vastgesnapt.
Bij voorkeur is daarbij het aansluitprofielstuk door middel van L-profielen op de topgevel bevestigd, waarbij het ene been van zo'n 5 profiel op de draagconstructie is bevestigd en het andere been op een afstand langs de topgevel naar beneden loopt, en het ondereind daarvan in de haakvormig ongebogen andere langsrand van de strook van het aansluitprofielstuk grijpt.
Bij de aansluiting op een opgaand werk kan eveneens een 10 aansluitprofielstuk warden aangebracht, bestaande uit een met het buitenoppervlak tegen het opgaande werk aanliggende strook met een langs de onderste langsrand lopende, in het buitenoppervlak aangebrachte inkeping en een op enige afstand van deze rand, vanaf het binnenoppervlak uitstékende rib die bij het vrije eind een in de 15 richting naar de onderste langsrand uitstékende kop draagt waarin een gleuf is gevormd waarvan de zijwanden evenwijdig met de strook lopen en de bodem zich aan de kant van de genoemde langsrand bevindt, welke kop verder een ingrijprand heeft terwijl nabij het vrije eind van de rib, in het van de kop afgerichte deel een schouder is gevormd? op de draag-20 constructie strookvormige draagprofielstukken zijn aangebracht waarvan de ene langsrand haakvormig naar boven is ongebogen en in de inkeping langs de onderste langsrand van het aansluitprofielstuk grijpt, terwijl in het middengebied van het draagprofielstuk een rib vanaf de strook cmhoog loopt die bij het vrije eind een uitgespaarde aangrijprand heeft 25 die in ingrijping is met de genoemde ingrijprand van de kqp van het aansluitprofielstuk; aider de eindranddelen van het paneel of de panelen een ü-profiel is aangebracht waarvan de boden rust op aan het draagprofiel gevormde uitsteeksels en waarvan het naar het opgaande werk gerichte been tegen de van het opgaande werk afgerichte kant van 30 de rib van het draagprofiel aanligt en daar tegenaan wordt gehouden door het ene been van een omgekeerd ü-profiel waarvan het andere been in de genoemde gleuf in de kop van het aansluitprofielstuk is gestoken; en een afdekprofiel aanwezig is bestaande uit een strook waarvan de ene langsrand haakvormig naar beneden is ongebogen en achter de genoemde 35 schouder in de rib van het aansluitprofielstuk grijpt en de andere langsrand tegen het bovenoppervlak van de genoemde panelen aanligt, waarbij in het middengebied van dit profiel een rib naar beneden uitsteekt die nabij het vrije eind een uitgespaarde aangrijprand heeft die achter het eind van het genoemde ene been van het omgekeerde Λ ,Λ Λ /'· . v y sL υ / 4 « 7 U-profiel grijpt.
Bij voorkeur zijn de bij de nok .toegepaste afdekprofiel-stukken, de eerste profielstukken van de afwerklijst, het afdekprofiel-stuk voor de aansluiting bij een topgevel en de draag- en afdekprofiel-5 stukken bij de aansluiting op een opgaand werk identieke profielstukken, en het tweede profielstuk van de afwerklijst, het aansluit-profielstuk voor de aansluiting op een topgevel en het aansluitprofiel-stuk voor de aansluiting op een opgaand werk eveneens identieke profielstukken, zodat, naast in de handel verkrijgbare U-profielen 10 slechts twee speciaal gevormde profielstukken nodig zijn voor het verkrijgen van de genoemde aansluitingen, de afwerklijst en de afwerking van de nok.
De uitvinding wordt nader beschreven onder verwijzing naar de tekening waarin: 15 Figuur 1 in dwarsdoorsnede een paneel volgens de uitvinding toont,
Figuur 2 een aantal van deze panelen toont die op de draagconstructie van een dak zijn bevestigd, met aan beide kanten een aansluiting op de topgevel, 20 Figuur 3 eveneens een aantal van de panelen toont die op een draagconstructie zijn bevestigd, waarbij echter vanuit het midden naar de zijkanten is gewerkt.
Figuur 4 in overlangse doorsnede een op de draagconstructie van een dak aangebracht paneel, met een bij het ondereind aangebrachte 25 afwerklijst en een bij de nek aangebrachte verholen nekvorst met af dekprof ielstukken toont,
Figuur 5 in perspectief de verholen nekvorst weergeeft.
Figuur 6 in bovenaanzicht een aantal naast en onder elkaar aangebrachte panelen toont met onder de dwarslopende stootvoegen 30 aangebrachte onderlegorganen,
Figuur 7 in dwars doorsnede een aansluiting op een opgaand werk toont,
Figuur 8 de mogelijkheid van het vormen van schijnroeven toont en, 35 Figuur 9 de mogelijkheid van het vervangen van een paneel toont.
Zoals getoond in figuur 1 heeft het paneel 1 langs de langsranden, aan de onderkant van het paneel gevormde randprof ielstukken 2 en 3. Het profielstuk 2 omvat een eerste gootvormig deel 4 en
ft ft ft "7 J
3 3 Ö i U - λ
t V
δ een tweede, smaller gootvormig deel 5 die een gemeenschappelijke zijwand hebben. De bovenkant 5' van de andere zijwand van het tweede goot-vormige deel 5 ligt ter hoogte van de onderkant 1' van het paneel 1.
Aan de onderkant van de bodem van het tweede gootvormige deel 5 is een 5 schouder 5’1 gevormd. Het randprofielstuk 3 cravat een van de onderkant van het paneel 1 naar beneden uitstekende rib 6 met een zich van het vrije eind daarvan naar buiten uitstekende lip 7. Bij het aanbrengen van de panelen 1 op een draagconstructie 8 van bijvoorbeeld een dak, zoals getoond in figuur 2, steunen de bodendelen van de gootvormige 10 delen 4 op de draagconstructie terwijl het profieldeel 3 van een naastliggend paneel cm het gootvormige deel 5 wordt geschoven totdat het kopvlak 7' van de lip 7 tegen de schouder 5'' komt aan te liggen. De breedte van de lip 7 is zodanig gekozen dat dan een open voeg 9 ontstaat tussen de naar elkaar toegerichte eindranden van twee naast 15 elkaar liggende panelen. Het einddeel van het naastliggende paneel rust dan met de onderkant op het kopvlak 5' van de goot 5 met als gevolg dat de bovenkanten van alle panelen 1 in één plat vlak liggen, zodat aan de zichtzijde van de door de panelen gevormde bekleding geen relief aanwezig is. De bovenkant van een paneel kan uiteraard voorzien zijn 20 van een profielering, ribbels, of andere siermotieven indien deze cm esthetische redenen gewenst zijn. De gootvormige delen 4 vormen gecontroleerde waterafvoeren voor het water dat door de voegen 9 kan lekken.
De panelen worden, eventueel met een tussenliggende laag 25 isolatiemateriaal, op de draagconstructie 8 bevestigd door middel van krammen 10 die cm de buitenste zijwanden van de gootvormige delen 4 grijpen zodat zij aan het gezicht zijn onttrokken. Deze bevestiging laat een uitzetting van de panelen in de lengterichting toe. Een uitzetting in de breedterichting wordt omgezet in een buigend moment 30 als gevolg van de open voeg 9, waardoor een geringe cpbolling over de breedte van de paneel-bekleding ontstaat. Voor de bevestiging van de panelen behoeven dus geen gaten in de panelen of de goten te worden gevormd waardoor ongecontroleerde lekken zouden ontstaan. Er is echter één uitzondering, teneinde te voorkomen dat bij een schuin dak de 35 panelen naar beneden zouden glijden, worden deze bij het hoogste punt op de draagconstructie vastgezet door middel van een door een gat in de bodem van het gootvormige deel 4 gevoerd vastzetorgaan. Zoals getoond in figuur 6, worden echter deze gaten 40 afgedekt door een onderleg-orgaan of een verholen nokvorst, :: λ Λ ; ·«> Jl :» V * * (J * ' >· ..
Zoals getoond in figuur 3 kan bij het aanbrengen van de panelen 1 op een draagconstructie 8 ode vanuit het midden naar de zijkanten worden gewerkt. Hierbij worden in het midden twee panelen 1, met de profieldelen 3 naar elkaar toegericht op de draagconstructie 5 bevestigd, waarbij deze profieldelen 3 cm het bovenste dwarsdeel 111 van een I-vorraig profielstuk 11 worden geschoven, zodat een open voeg 9' ontstaat, welk profielstuk 11 een breder gootvormig onderste dwarsdeel 1111 heeft dat door middel van krairmen 10 op de draagconstructie 8 is vastgezet.
10 In figuur 2 zijn tevens de aansluitingen op de topgevels 8' getoond. Deze aansluitingen omvatten een aansluitprofielstuk 12 bestaande uit een strook 13 met langs de ene langsrand een inkeping 14 ei een uitstekende rib 15 die bij het vrije eind een kop 16 draagt waarin een gleuf 17 is gevormd en die een ingrijprand 18 heeft. In het 15 van de kop 16 afgerichte deel van de rib 15 is een schouder 19 gevormd en de andere langsrand van het strockvormige deel 13 is tot een haak 20 cmgebogen. Het aansluitprofielstuk 12 is door middel van L-profielen 21 bevestigd doordat het ene been van een profiel 21 door middel van schroeven 22 op de draagconstructie 8 is bevestigd en het andere been 20 van het L-profiel 21 op een afstand langs de gevel 8' loopt en met het vrije eind in de haakvormig ongebogen langsrand 20 van het aansluitprofielstuk 12 grijpt. De gleuf 17 in de kop 16 grijpt over een zijwand van een afzonderlijk aangebracht U-profiel 26 dat door middel van de kranmen 10* is bevestigd, waarbij het laatste paneel 1" overlangs is 25 doorgesneden. Verder is een afdekprofielstuk 23 aangebracht bestaande uit een dekstrock met een uitstekende rib 24 die bij het vrije eind een uitgespaarde aangrijprand 25 heeft, waarbij de dekstrook langs de ene langskant een haakvormige aangrijprand 27, en een in de richting van de rib 24 gebogen langsranddeel 28 heeft. Het afdekprofielstuk 23 is met 30 de uitgespaarde aangrijprand 25 cm de ingrijprand 18 van het aansluitprofielstuk 12 grijpend, en de haakvormige aangrijprand 27 in de inkeping 14 grijpend vastgesnapt.
De door de panelen 1 gevormde bedekking volgens figuur 3 kan op dezelfde wijze worden voorzien van een aansluitprofielstuk 12 en 35 een afdekprofiel 23 bij de aansluitingen cp een topgevel.
In figuur 4 is een afwerklijst getooid die aan de onderste dwarskanten van een onderste rij panelen is aangebracht. Deze afwerklijst wordt gevormd door een eerste profielstuk dat identiek is aan het afdekprofielstuk 23 getoond in figuur 2, en een tweede profielstuk dat .. i j> j 4 10 identiek is roet het aansluitprofielstuk 12 getoond in figuur 2. Hierbij is echter het afdékprofielstuk 23 roet de rib 24, door middel van schroeven 29 aan de onderkant van de panelen 1 bevestigd, waarbij de schroeven 29 in de openingen 30 en 31 (zie figuur 1) grijpen. Ook 5 hierbij vormen de ingrijping van de ingrijprand 18 in de uitgespaarde aangrijprand 25 en de ingrijping van de haakvormige aangrijprand 27 in de inkeping 14 weer een snapverbinding.
Verder is in figuur 4 een Dakconstructie getoond. Deze wordt gevormd door een verholen nokvorst 32 die in meer bij zonderheden 10 is getoond in figuur 5. De nokvorst 32 eswat twee identieke plaatvormige onderlegorganen, die elk een plat plaatvormig, in wezen rechthoekig bovendeel 33 omvatten, dat bij de onderkant via een tussendeel roet schuin naar elkaar toelopende, opstaande randen 34 overgaat in een gootvormig deel 35. De plaatvormige onderlegorganen zijn bij de boven-15 kant van het rechthoekige bovendeel 33 met elkaar verbonden en Iepen volgens de nokhoék schuin naar elkaar toe. De verholen nokvorst 32 is zodanig aangebracht dat de gootvormige delen 35 op de boden van de gootvormige delen 4 van de panelen 1 komen te rusten en daarin uitmonden. Het bovenste deel van de gootvormige delen 4 is daarbij 20 weggefreesd of op andere wijze verwijderd. In de breedterichting zijn de delen 33 van de verholen nokvorsten 32 overlappend aangebracht. Verder zijn bij de nok nog afdékprofielen aangebracht die identiek zijn aan de afdékprofielen 23 en die op dezelfde wijze zijn bevestigd als deze profielen 23 bij de onderkant van de panelen 1.
25 In figuur 6 is in bovenaanzicht getoond hoe de water dichtheid bij de dwarslopende stootvoegen van onder elkaar gelegen rijen panelen wordt verkregen. Hierbij worden onder de dwarslopende stootvoegen 36 plaatvormige onderlegorganen aangebracht die uit een enkel plaatvormig onderlegorgaan van de nokvorst 32 bestaan, zodat deze 30 organen elk een plat plaatvormig, in wezen rechthoekig bovendeel 37 anvatten dat bij de onderkant via een tussendeel met schuin naar elkaar toelopende opstaande randen 38 overgaat in een gootvormig deel 39.
De onderlegorganen zijn zodanig aangebracht dat de gootvormige delen 39 op de bodem van de gootvormige delen 4 van de panelen 35 1 kernen te rusten en daarin uitmonden. Bij de bovenkant rusten de gootvormige delen 4 van de panelen met hun bodem op het rechthoekige bovendeel van de onderlegorganen. Ook hierbij zijn de bovenste gedeelten van de gootvormige profieldelen 4 van de panelen 1 weggefreesd of qp andere wijze verwijderd. Bij voorkeur is bovendien een, niet getoonde, - Λ --7 ? •J 'J } Λ 'J -ί V * 11 inwendige, evenwijdig met de stootvoegen lopende leklijst, in de vorm van een hoekprofiel aangebracht.
Verder zijn in figuur 6 de gaten 40 getoond die bij de bovenkanten van de panelen in de bodems van de gootvormige delen 4 zijn 5 aangebracht en waardoor vastzetorganen zijn gevoerd voor het bij de bovenkanten bevestigen van de panelen 1 op de draagconstructie. Zoals getoond worden deze gaten 40 door de gootvormige delen 39 van de cnderlegorganen bedekt, zodat een waterdichtheid is gewaarborgd. Op dezelfde wijze zijn bij de bovenkanten van de panelen 1 in figuur 4 10 gaten in de gootvormige profielen 4 aangebracht die door de gootvormige delen 35 van de verholen nckvorst worden bedekt.
In figuur 7 is een aansluiting op een opgaand werk 41 getoond. Deze aansluiting cravat een profielstuk dat identiek is aan het aansluitprofielstuk 12, een draagprofielstuk 23' en een afdekprofiel-15 stuk 23" die identiek zijn aan het profielstuk 23. Het aansluitprofielstuk 12 is met het strookvormige deel 13 tegen het buitenoppervlak van het opgaand werk 41 aangebracht, en het draagprofielstuk 23’ is door middel van schroeven 42 aan de draagconstructie 8 bevestigd, waarbij de haakvormig ongebogen langsrand 27' van het draag-20 profiel 23' in de inkeping 14 in de strook 13 grijpt, en de ingrijprand 18 in de kop 16 in de uitgespaarde aangrijprand 25' van de rib 24' van het draagprofiel 23' grijpt. Op het draagprofiel 23' rust een U-profiel 43 waarvan de ene zijwand tegen de rib 24* aanligt en daar tegenaan wordt gehouden door het ene been van een omgekeerd aangebracht tweede 25 U-profiel 44, waarvan het andere been in de gleuf 17 in de kop 16 is opgenonen. Op het andere been van het U-profiel rust het paneel 1 dat overlangs is doorgesneden. Het afdekprofiel 23'1 is met de haakvormig ongebogen eindrand 27" achter de schouder 19 in de rib 15, en met de uitgespaarde aangrijprand 25'1 achter het kopvlak van het ene been van 30 het U-profiel 44 gesnapt. Verder is nog een loket 45 over de rand 20 van het aansluitprofielstuk 12 aangebracht.
In figuur 8 is getoond dat de panelen 1 ook zodanig kunnen worden aangebracht dat het eindvlak van de lip 7 niet tegen de schouder 5" aanligt. Op deze wijze wordt een bredere voeg 9" verkregen.
35 Daarbij kan in het gootvormige deel 5 een crogekeerd T-profiel 46 worden geschoven waardoor een soort schijnroeven ontstaan.
In figuur 9 is getoond hoe een paneel kan worden vervangen.
Daartoe wordt van het nieuw aan te brengen paneel het gootvormige deel 5 afgezaagd, zodat een stomp 5'" overblijft, en wordt een losse strook ‘ λ η λ "T » >ï». **·#.'/* y ,j u *- u ' cï 12 47 ingeschoven; zodat de onderlinge verbinding van de panelen 1 volgens het principe messing en groef blijft gehandhaafd.
3 % ·Λ 0 λ 7 /, --v V “
Claims (20)
1. Rechthoekig paneel voor het bekleden van een vlak in het bijzonder een dakpaneel, waarbij meerdere panelen met hun langsranden naast elkaar liggend, in een rij of eventueel in meerdere onder elkaar liggende rijen op een draagconstructie worden bevestigd, welk paneel 5 elk van een profiel voorziene langsranden heeft waarbij een eerste profiel langs de ene langsrand een gootvormig deel omvat met twee zijwanden en een bodem, een deel dat, wanneer het paneel is aangebracht, tegen de draagconstructie aanligt, en een oplegvlak voor het ondersteunen van de andere langsrand van een naastliggend paneel, en het 10 tweede profiel langs de andere langsrand een deel heeft dat, wanneer het paneel is aangebracht, op het oplegvlak van het eerste profiel van een naastliggend paneel rust en het gootvormige deel daarvan ten minste gedeeltelijk overlapt, met het kenmerk, dat de profielen langs de langsranden van het paneel elk uit een aan de onderkant van het paneel 15 bevestigd of gevormd profielstuk bestaan, waarbij het gootvormige deel van liet eerste randprofielstuk een eerste zijwand heeft die vanaf de onderkant van het vlakke paneel, nabij de overlangse eindrand daarvan, naar beneden uitsteekt en de bodem van het gootvormige deel tot voorbij deze eindrand reikt en bij het aanbrengen van het paneel op de onder-20 steuningsconstructie komt te rusten en daarop kan worden bevestigd door middel van bevestigingsmiddelen die in wezen buiten de binnenkant van de goot daarmee in aangrijping zijn, en het oplegvlak buiten de eindrand van het paneel, ter hoogte van het onderoppervlak van het paneel is gelegen, en dit eerste randprofielstuk verder een aanslag heeft en 25 een eerste vastlegorgaan, terwijl het tegenover liggende, tweede rand-profieldeel een nabij de eindrand van het paneel, van de onderkant daarvan naar beneden uitstékend profielstuk heeft met een tweede vastlegorgaan en een aanslagvlak dat zodanig is gelegen dat, wanneer het paneel is aangebracht en dit aanslagvlak tegen de aanslag van het 30 eerste randprofiel van een naastliggend paneel aanligt, de naar elkaar toegerichte eindranden van de twee panelen op een betrekkelijk kleine afstand van elkaar liggen zodat een open voeg wordt gevormd, waarbij deze open voeg zich boven het genoemde gootvormige deel bevindt en de onderkant van het paneel dat zich tussen het genoemde profielstuk ai de 35 eindrand van het paneel uitstrekt, qp het oplegvlak van het eerste randprofielstuk van het naastliggende paneel rust, terwijl het eerste vastlegorgaan van het eerste randprofiel van het naastliggende paneel Λ T Λ Λ Λ 7 7 * V 'J y i •S zodanig in ingrijping is roet het tweede vastlegorgaan, dat de eindrand roet het tweede randprofiel niet anhoog kan bewegen.
2. Paneel volgens conclusie 1, roet het kenmerk, dat het oplegvlak van het eerste randprofiel wordt gevormd door de bovenkant 5 van de zijwand van een tweede gootvormig deel dat smaller is dan het eerstgenoemde gootvormige deel en waarvan de tweede zijwand wordt gevormd door het bovenste, vanaf de onderkant van het paneel lopende deel van de eerste zijwand van het eerste gootvormige deel, waarbij de tweede zijwand van het eerste gootvormige deel eindigt op een hoogte 10 die op een afstand ligt onder de onderkant van de boden van het tweede gootvormige deel.
3. Paneel volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat het eerste vastlegorgaan van het eerste randprofieldeel wordt gevormd door het tweede gootvormige deel en het tweede vastlegorgaan van het naar 15 beneden uitstekende profieldeel van het tweede randprofiel wordt gevormd door een, op enige afstand naar binnen van de langsrand van het paneel, van de onderkant daarvan uitstékende rib en een zich van het vrije eind daarvan naar buiten uitstekende lip, waarbij deze lip en de rib een zodanige lengte hebben dat, bij twee naast elkaar liggende 20 panelen, het tweede gootvormige deel van het eerste randprofiel van het naastliggende paneel, roet een geringe speling ten minste gedeeltelijk wordt opgencmen in de ruimte tussen de lip, de rib en de onderkant van het zich vanaf de rib naar buiten uitstrékkende randdeel van het paneel.
4. Paneel volgens conclusie 3, roet het kenmerk, dat de aan slag van het eerste randprofiel wordt gevormd door een aan de onderkant van de bodem van het tweede gootvormige deel gevormde schouder, en het aanslagvlak van het tweede randprofiel wordt gevormd door het kopvlak van de genoemde lip.
5. Vlakbedekking in het bijzonder een dakbedekking gevormd uit een aantal naast elkaar en eventueel onder elkaar gelegen, op een draagconstructie bevestigde, roet hun randprofielen in elkaar grijpende panelen volgens één of meerdere van de voorgaande conclusies.
6. Vlakbedekking volgens conclusie 5, roet het kenmerk, dat 35 dat elk paneel op de draagconstructie is bevestigd door middel van, roet de draagconstructie verbonden bevestigingsorganen die om de bovenkant van de tweede zijwand van het eerste gootvormige deel van het eerste randprofiel van het paneel grijpen. Λ -.3¾ Λ ^ -} 15 *
7. Vlakbedekking in het bijzonder een dakbedekking volgens conclusies 5 of 6, met het kenmerk» dat de panelen zodanig zijn aangebracht dat het aanslagvlak van het tweede randprofiel op een afstand ligt van de aanslag van het eerste randprofiel.
8. Vlakbedekking volgens conclusie 7, met het kenmerk, dat in het tweede gootvormige deel van het eerste randprofiel een profiel-strook in de vorm van een omgekeerde T is geschoven, zodat het been van de T tussen de naar elkaar toegerichte eindranden van de twee naast elkaar liggende panelen, over enige afstand naar buiten uitsteekt.
9. Vlakbedekking volgens conclusies 5 of 6, met het kerroerk, dat in wezen in het midden van het vlak twee panelen met hun tweede randprofielen naast elkaar liggend aan de draagconstructie zijn bevestigd, zodat de tweede vastlegorganen naar elkaar toe zijn gericht, waarbij een in wezen I-vonnige profielstrook is aangebracht waarvan het 15 bovenste dwarsdeel in de twee tweede vastlegorganen is opgencmen en waarvan het onderste dwarsdeel op de draagconstructie rust en goot-vormig is uitgevoerd.
10. Vlakbedekking volgens conclusies 6-9, met het kenmerk, dat telkens bij twee onder elkaar liggende rijen panelen, onder de 20 dwars cp de langsranden lopende stootvoegen plaatvormige cnderleg-organen zijn aangebracht die elk een plat plaatvonnig, in wezen rechthoekig bovendeel omvatten dat bij de onderkant via een tussendeel met schuin naar elkaar toelopende opstaande randen overgaat in een goot-vormig deel, waarbij het platte bovendeel onder de in elkaar grijpende 25 randprofielen van een bovenste rij panelen ligt ai het gootvormige deel cp de bodem van het eerste gootvormige deel van een eerste randprofiel van een onderste rij panelen liggend, daarin uitmondt, waarbij een bovenste deel van de eerste gootvormige delen is afgesneden voor het plaatsen van de tussendelen van de onderlegorganen.
11. Vlakbedekking volgens conclusies 6-10, in het bijzonder een dakbedekking met een nok, met het kenmerk, dat onder de bovenkanten van de aan weerskanten van de nok gelegen panelen, verholen nokvorsten zijn aangebracht die de nok overdekken en die elk in wezen worden gevormd door twee bij de bovenkanten met elkaar verbonden, volgens de 35 nokhoek schuin naar elkaar toelopende plaatvormige onderlegorganen.
12. Vlakbedekking volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat aan de bovenste dwarskanten van de aan weerskanten van de nok gelegen panelen afdékprofielstukken zijn aangebracht. \ λ Λ 1 -- * - - V -
13. Dakbedekking volgens conclusies 6-12, met het kenmerk, dat aan de onderste dwarskanten van de onderste rij panelen een afwerk-lijst is aangebracht omvattende een eerste profielstuk bestaande uit een dekstrook met langs de ene langskant een in wezen haakvormige 5 aangrijprand, een, in het middengebied van deze strook gelegen, in dezelfde richting als de haakvormige aangrijprand daarvan uitstékende rib die bij het vrije eind een uitgespaarde aangrijprand heeft, terwijl het andere overlangse randdeel in de richting van de rib is gebogen, en een tweede profielstuk bestaande uit een strook met langs de ene 10 langsrand een inkeping in het buitenoppervlak van de strook en een, op enige afstand van deze rand, vanaf het binnenoppervlak uitstekende rib die bij het vrije eind een kop draagt die in de richting naar de genoemde ene langsrand uitsteekt en waaraan een ingrijprand is gevormd, waarbij het eerste profielstuk met de genoemde uitstekende rib aan de 15 panelen is bevestigd zodat de eindrand van het naar binnen gebogen randdeel tegen het bovenoppervlak van deze panelen aanligt en het tweede profielstuk met de inkeping cm de genoemde haakvormige aangrijprand van het eerste profielstuk grijpend en met de ingrijprand in de uitgespaarde aangrijprand grijpend, is vastgesnapt.
14. Vlakbedékking volgens conclusies 12 en 13, met het kenmerk, dat de afdekprofielstukken die aan de bovenste dwarskanten van de panelen zijn aangebracht, worden gevormd door de genoemde eerste profielstukken.
15. Vlakbedekking volgens conclusie 11, met het kenmerk, 25 dat bij de aansluiting op een topgevel een aansluitprofielstuk aan de topgevel is bevestigd, bestaande uit een strook met langs de ene langsrand een inkeping in het buitenoppervlak van de strook en een, qp enige * afstand van deze rand, vanaf het binnenoppervlak uitstékende rib die bij het vrije eind een kop draagt die in de richting naar de genoemde 30 ene langsrand uitsteekt, waarin een gleuf is gevormd waarvan de zijwanden evenwijdig met de strook lopen en de bodem zich aan de kant van de genoemde langsrand bevindt, welke kop verder een ingrijprand heeft, welk profielstuk zodanig is aangebracht dat de strook langs de topgevel loopt en de genoemde gleuf over de bovenrand van de buitenste zijwand 35 van een afzonderlijk, onder de overlangse zijrand van een overlangs doorgesneden buitenste paneel, cp de ondersteuningsconstructie bevestigd, een goot vormend U-profiel grijpt, en een afdékprofielstuk is aangebracht bestaande uit een dekstrook met langs de ene langskant een in wezen haakvormige aangrijprand, een in het middengebied van deze ' · '·. Λ -> "T 1 \ . s i ·.> .v > ... ·.; · 1 17 - - strook gelegen, in dezelfde richting als de haakvormige aangrijprand daarvan uitstekende rib die bij het vrije eind een uitgespaarde aangrijprand heeft, terwijl het andere overlangse randdeel naar binnen in de richting van de rib is gebogen, welk afdékprofielstuk met de 5 haakvormige aangrijprand in de genoemde inkeping van het aansluit-profielstuk grijpend ai met de uitgespaarde aangrijprand cm de ingrijp-rand grijpend is vastgesnapt.
16. Dakbedekking volgens conclusie 15, met het kenmerk, dat het aansluitprofielstuk door middel van L-profielen op de topgevel is 10 bevestigd, waarbij het ene been van zo'n profiel op de draagconstructie is bevestigd en het andere been op een afstand langs de topgevel, naar beneden loopt en het ondereind daarvan in de haakvormig ongebogen onderste langsrand van de strook van het profielstuk grijpt.
17. Dakbedekking volgens conclusies 13-16, met het kenmerk, 15 dat het afdékprofielstuk en het aansluitprofielstuk bij de topgevel woeden gevormd door respectievelijk het genoemde eerste en tweede profielstuk.
18. Dakbedekking volgens conclusies 6-17, met het kenmerk, dat bij de aansluiting op een opgaand werk een aansluitprofielstuk is 20 aangebracht, bestaande uit een met het buitenoppervlak tegen het opgaande werk aanliggende strook met een langs de onderste langsrand lopende, in het buitenoppervlak aangebrachte inkeping en een op enige afstand van deze rand, vanaf het binnenoppervlak uitstekende rib die bij het vrije eind een, in de richting naar de onderste langsrand 25 uitstekende kop draagt waarin een gleuf is gevormd waarvan de zijwanden evenwijdig met de strook lopen en de bodem zich aan de kant van de genoemde langsrand bevindt, welke kop verder een ingrijprand heeft, terwijl nabij het vrije eind van de rib, in het van de kep afgerichte deel een schouder is gevormd; op de draagconstructie een strookvormig 30 draagprofielstuk is aangebracht waarvan de ene langsrand haakvormig naar boven is ongebogen en in de inkeping langs de onderste langsrand van het aansluitprofielstuk grijpt, terwijl in het middengebied van het draagprofielstuk een rib vanaf de strook omhoog loopt die bij het vrije eind een uitgespaarde aangrijprand heeft die in ingrijping is met de 35 genoemde ingrijprand van de kop van het aansluitprofielstuk; onder de eindranden van het paneel of de panelen een U-profiel is aangebracht waarvan de bodem rust op aan het draagprofiel gevormde uitsteeksels en waarvan het naar het opgaande werk gerichte been tegen de van het opgaande werk afgerichte kant van de rib van het draagprofielstuk •j v J — ü -· *4 aanligt en daar tegenaan wordt gehouden door het ene been van een omgekeerd ü-profiel waarvan het andere been in de genoemde sleuf in de kop van het aansluitprofiel is gèstoken; en een af dekprofiel aanwezig is bestaande uit een strook waarvan de ene langsrand haakvormig naar 5 beneden is ongebogen en achter de genoemde schouder in de rib van het aansluitprofielstuk grijpt en de andere langsrand tegen het bovenoppervlak van de genoemde panelen aanligt, waarbij in het middengebied van dit profiel een rib naar beneden uitsteekt die nabij het vrije eind een uitgespaarde aangrijprand heeft die achter het eind van het 10 genoemde ene been van het omgekeerde ü-profiel grijpt.
19. Dakbedekking volgens conclusies 17 en 18, met het kenmerk, dat de aansluitprofielstukken voor de aansluiting op een topgevel en voor de aansluiting op een opgaand werk identiek zijn.
20. Dakbedekking volgens conclusies 17 en 18, met het 15 kenmerk, dat de genoemde afdekprof iels tukken en het genoemde draag- profielstuk identiek zijn. «i jf· -'»1 ^ n. “J · 'j i u / *>
Priority Applications (1)
Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
---|---|---|---|
NL8502074A NL8502074A (nl) | 1985-07-18 | 1985-07-18 | Paneel voor het bekleden van een vlak. |
Applications Claiming Priority (2)
Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
---|---|---|---|
NL8502074 | 1985-07-18 | ||
NL8502074A NL8502074A (nl) | 1985-07-18 | 1985-07-18 | Paneel voor het bekleden van een vlak. |
Publications (1)
Publication Number | Publication Date |
---|---|
NL8502074A true NL8502074A (nl) | 1987-02-16 |
Family
ID=19846338
Family Applications (1)
Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
---|---|---|---|
NL8502074A NL8502074A (nl) | 1985-07-18 | 1985-07-18 | Paneel voor het bekleden van een vlak. |
Country Status (1)
Country | Link |
---|---|
NL (1) | NL8502074A (nl) |
Cited By (1)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
FR2709774A1 (fr) * | 1993-09-07 | 1995-03-17 | Faconnage Cont Acier Atel | Elément de toiture du type panneau en tôle pliée. |
-
1985
- 1985-07-18 NL NL8502074A patent/NL8502074A/nl unknown
Cited By (1)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
FR2709774A1 (fr) * | 1993-09-07 | 1995-03-17 | Faconnage Cont Acier Atel | Elément de toiture du type panneau en tôle pliée. |
Similar Documents
Publication | Publication Date | Title |
---|---|---|
US5642596A (en) | Shingle roofing assembly | |
US4195452A (en) | Gutter and hanger arrangement | |
ATE425318T1 (de) | Abdecksystem von in reihen verlegten dachziegeln | |
CZ287665B6 (en) | Base element for plane plate-like structural element | |
US20140174015A1 (en) | Siding and roofing panels and method for mounting same | |
US4787190A (en) | Roof tiles and fastening devices | |
NL8502074A (nl) | Paneel voor het bekleden van een vlak. | |
CA2402133A1 (en) | A device for a valley gutter for a roof | |
NL8501050A (nl) | Dakbedekking. | |
WO1998029619A1 (en) | Roof tile | |
AU674531B2 (en) | Improvements in roofing | |
US4891924A (en) | Cladding assembly | |
JP3369516B2 (ja) | 床・屋根排水構造および谷溝部材 | |
JPS6023376Y2 (ja) | 建築物用面材 | |
GB2214538A (en) | A batten holder and roof valley employing a batten holder | |
AU594958B2 (en) | Roof tiles | |
NL1028468C2 (nl) | Systeem voor het vastzetten van op een schuin dakvlak voorziene dakpannen, samenstel voor een dergelijk systeem alsmede werkwijze voor het vastzetten van dakpannen op een schuin dakvlak. | |
JPS5918013Y2 (ja) | 屋根 | |
JPS6239212Y2 (nl) | ||
JPS63107644A (ja) | 金属板製瓦桟 | |
JPH0536011Y2 (nl) | ||
JPS594098Y2 (ja) | 屋根瓦葺上げ装置 | |
GB2404386A (en) | Component for use on a roof ridge, hip or valley | |
GB2314356A (en) | Method of forming a roof tile | |
JPH08151737A (ja) | 軒先桟瓦 |