NL1004947C2 - Werkwijze voor het vervaardigen van een uit in hoofdzaak biologisch afbreekbare grondstoffen bestaand voortbrengsel. - Google Patents
Werkwijze voor het vervaardigen van een uit in hoofdzaak biologisch afbreekbare grondstoffen bestaand voortbrengsel. Download PDFInfo
- Publication number
- NL1004947C2 NL1004947C2 NL1004947A NL1004947A NL1004947C2 NL 1004947 C2 NL1004947 C2 NL 1004947C2 NL 1004947 A NL1004947 A NL 1004947A NL 1004947 A NL1004947 A NL 1004947A NL 1004947 C2 NL1004947 C2 NL 1004947C2
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- residues
- starting material
- weight
- binder
- product
- Prior art date
Links
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01G—HORTICULTURE; CULTIVATION OF VEGETABLES, FLOWERS, RICE, FRUIT, VINES, HOPS OR SEAWEED; FORESTRY; WATERING
- A01G9/00—Cultivation in receptacles, forcing-frames or greenhouses; Edging for beds, lawn or the like
- A01G9/02—Receptacles, e.g. flower-pots or boxes; Glasses for cultivating flowers
- A01G9/029—Receptacles for seedlings
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Biological Depolymerization Polymers (AREA)
- Dry Formation Of Fiberboard And The Like (AREA)
- Compositions Of Macromolecular Compounds (AREA)
Description
Werkwijze voor het vervaardigen van een uit in hoofdzaak biologisch afbreekbare grondstoffen bestaand voortbrengsel
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze voor het vervaar-5 digen van een uit in hoofdzaak biologisch afbreekbare grondstoffen bestaand voortbrengsel, waarbij uit in hoofdzaak biologisch afbreekbare, natuurlijke materialen of resten en een bindmiddel bevattend basismengsel een uitgangsmateriaal wordt bereid, dat in een matrijs aan een druk- en warmtebehandeling wordt onderworpen.
10 Een dergelijke werkwijze is bekend uit de Europese octrooiaanvra ge 613.905 waarmee een biologisch afbreekbaar voortbrengsel, in het bijzonder een biologisch afbreekbare plantenpot, op basis van natuurlijke plantaardige of dierlijke vezels wordt verkregen die, betrokken op het droge-stofgehalte, 50~90 gew.% vezels en I-5O gew.% van een 15 voorbehandelde aardappelpulp bevat. Volgens deze werkwijze moet de aardappelpulp of met enzymen of mechanisch voorbehandeld worden en wordt bij voorkeur de aardappelpulp met enzymen behandelt en voor en/of na deze enzymatische behandeling aan een mechanische voorbehandeling onderworpen, waarbij aardappelpulpdeeltjes met een grootte van 20 minder dan 350 pm verkregen worden. Deze voorbehandeling is noodzakelijk om aan de aardappelpulpdeeltjes bindende eigenschappen voor de plantaardige of dierlijke vezels te verlenen. De aardappelpulp die afkomstig is uit de zetmeelwinning en die ongeveer 75~95 gew.% water bevat dient allereerst te worden verdund tot een vaste-stofgehalte van 25 minder dan 15 gevi.% en bij voorkeur van minder dan 10 gew.%. Vervolgens wordt de aardappelpulp behandeld met enzymen en/of gemalen tot kleine deeltjes en wordt de aardappelpulp bijvoorbeeld door drenken of sproeien op de vezels aangebracht. In een volgende stap wordt uit de met aardappelpulp gedrenkte of besproeide vezels bij voorkeur op een 30 mechanische wijze de overmaat water verwijderd, waarna onder invloed van druk en verhoogde temperatuur een vlies wordt gemaakt en waaruit het voortbrengsel gevormd wordt. Het voortbrengsel kan tevens worden vervaardigd door de voorbehandelde aardappelpulp samen met de plantaardige of dierlijke vezels tot een brij te verwerken, waarna deze 35 brij onder druk en warmte tot het voortbrengsel wordt gevormd. De werkwijze volgens de Europese octrooiaanvrage 613.905 heeft echter verschillende nadelen. Zo zijn ten minste vijf tot zes stappen noodzakelijk (1. verdunnen en 2. enzymatisch of mechanisch voorbehandelen 1004947 2 van de aardappelpulp, 3. aanbrengen van de voorbehandelde aardappel-pulp op de vezels door drenken of sproeien, 4. water verwijderen, 5. maken van een vlies en 6. vormen van het voortbrengsel of 1. verdunnen en 2. enzymatisch of mechanisch voorbehandelen van de aardappelpulp, 5 3· verwerken van de voorbehandelde aardappelpulp en de vezels tot een brij, 4. brengen van de brij in een pers en 5· vormen van het voortbrengsel onder invloed van druk en warmte). Ook nemen sommige stappen veel tijd in beslag: de behandeling vein de aardappelpulp met enzymen omvat een fermentatie bij 40 C gedurende 20 uur. De werkwijze volgens 10 de Europese octrooiaanvrage 613*905 is derhalve moeizaam en tijdrovend.
De niet-voorgepubliceerde octrooiaanvrage EP-A-0.753.54l heeft betrekking op een vormmassa op basis van plantaardige vezels en een bindmiddel, waarbij het bindmiddel in de vezels opgenomen is en de 15 vezels losgemaakt zijn.
Verder is een materiaal bekend dat onder de naam "Fasal" op de markt wordt gebracht, dat uit hout, maïs, een bindmiddel en eventueel andere natuurlijke stoffen en anorganische milieuvriendelijke kleurstoffen bereid wordt. Het hout wordt in de vorm van houtspaanders of 20 zaagsel en het maïs in de vorm van maïsmeel of gruis toegepast. Als bindmiddel past men natuurhars toe. De werkwijze voor het bereiden van het "Fasal"-materiaal omvat het mengen van de hout- en maïsbestandde-len in de droge toestand, waarna de overige bestanddelen, die voor een deel in de vloeibare toestand verkeren, aan dit mengsel worden toege-25 voegd onder vorming van een strooibaar mengsel. Dit mengsel wordt vervolgens aan spuitgieten onderworpen waarbij een granulaat verkregen wordt dat uit deeltjes bestaat met een lengte van 3~5 mm en dat een vochtgehalte bezit van ongeveer 18%. Voordat met dit granulaat een voortbrengsel kan worden vervaardigd, dient het granulaat eerst te 30 worden gedroogd tot een vochtgehalte van ongeveer 10%. De werkwijze voor het vervaardigen van voortbrengsels uit het "Fasal"-materiaal heeft derhalve als nadeel dat eerst een granulaat moet worden bereid en dat dit granulaat moet worden gedroogd tot een geschikt vochtgehalte. Nog een nadeel van dit materiaal is dat wanneer met dit materiaal 35 een voortbrengsel wordt vervaardigd, de dikte van de wand van het voortbrengsel ten minste 3 mm moet zijn. Derhalve zijn de mechanische eigenschappen van het "Fasal"-materiaal onvoldoende, in het bijzonder voor het vervaardigen van voortbrengsels met een geringe wanddikte 1004947 3 (bijvoorbeeld 1-3 mm). Het "Fasal"-materiaal wordt beschreven in WO 95/04111. Dit materiaal heeft echter het nadeel dat uit een dergelijk materiaal vervaardigde voortbrengsels vaak breuken vertonen en dat vergelijkenderwijs slechts een klein aandeel van vezels in de 5 totale massa aanwezig is zoals beschreven wordt in EP-A-0.753*541, kolom 1, regels 5-21.
Andere uit in hoofdzaak biologisch afbreekbare grondstoffen bestaand voortbrengsels worden beschreven in de Europese octrooiaanvrage 716.804 en in de Duitse octrooiaanvrage 19-500.653- Volgens de Europe-10 se octrooiaanvrage 716-8θ4 kunnen biologisch afbreekbare potten voor zaailingen worden vervaardigd door spuitgieten van een mengsel van kokosnootpoeder en een biologisch afbreekbare kunststof zoals een alifatische polyester, die een melkzuurhars en/of een carbonzuurhars omvat, waarbij het mengsel 30“90 gev.% van de hars en 70-10 gew.% 15 kokosnootpoeder bevat. Het nadeel van deze potten is dat een kostbare kunststof of een mengsel van dergelijke kunststoffen moet worden toegepast en dat de potten niet volledig afbreekbaar zijn: na ongeveer 100 dagen resteert ongeveer 5 tot 20 % van de pot. De Duitse octrooiaanvrage i9.5OO.653 beschrijft een houder voor planten die gevormd 20 wordt door spuitgieten van een mengsel bestaande uit dierlijke en/of plantaardige vezels en vulstoffen, pigmenten of andere stoffen alsmede een oplossing van alkalisilicaten in water. Na het vormen van de houder uit dit mengsel wordt deze blootgesteld aan een zuur gas zoals salpeterzuur of zwavelzuur, waarbij de alkalisilicaten ontleden tot 25 amorf kiezelzuur en de houder uithardt. Daarna dient de houder te worden geconditioneerd door bijvoorbeeld deze te drogen. De werkwijze volgens de Duitse octrooiaanvrage 19-500.653 heeft als nadelen dat veel stappen nodig zijn voor het vervaardigen van de houder (mengsel van de verschillende bestanddelen maken, voortbrengsel vormen en be-30 handelen met een zuur gas en vervolgens conditioneren) en dat milieuonvriendelijke en gevaarlijke gasvormige zuren nodig zijn.
Het doel van de uitvinding is het verschaffen van een oplossing voor de hierboven aangegeven problemen. De uitvinding heeft derhalve betrekking op een werkwijze zoals in de aanhef genoemd, waarbij men: 35 a) een uitgangsmateriaal bereidt dat ten minste 8 gew.% maar niet meer dan 18 gev.% water bevat, en b) het bij stap a) verkregen uitgangsmateriaal als zodanig of in de vorm van korrels bij een temperatuur van ten hoogste 130°C in de 1 0 0 4947 4 matrijs tot het voortbrengsel vormt. Het is derhalve mogelijk dat het uitgangsmateriaal geen bindmiddel bevat. Bij voorkeur bereidt men het uitgangsmateriaal uit 70 tot 99 gew.% plantaardige materialen of resten en 1 tot 30 gev.% van het bindmiddel bevattende basismengsel.
5 De uitvinding verschaft een werkwijze voor een voortbrengsel dat in hoofdzaak of volledig bestaat uit biologisch afbreekbare grondstoffen, waarbij het voortbrengsel op eenvoudige wijze en in korte tijd verkregen kan worden. Bovendien zijn geen milieu-onvriendelijke en gevaarlijke chemische stoffen nodig en is het voortbrengsel in een 10 bepaalde tijd volledig of bijna volledig afgebroken.
Bij voorkeur bereidt men bij stap a) het uitgangsmateriaal uit ten minste 75 tot 95 gew.# plantaardige materialen of resten en 5 tot 25 gew.% van het bindmiddel bevattende basismengsel, in het bijzonder uit 80 tot 90 gew.# plantaardige materialen of resten en 10 tot 20 15 gew.# van het bindmiddel bevattende basismengsel en vormt men bij stap b) het voortbrengsel bij voorkeur bij een temperatuur van ten hoogste 120°C. Het water, dat in het uitgangsmateriaal aanwezig is, is afkomstig van het water dat oorspronkelijk in de plantaardige materialen of resten aanwezig was. Derhalve is het in het algemeen niet noodzakelijk 20 en vaak ook ongewenst om extra water toe te voegen.
Het uitgangsmateriaal mag niet te weinig water bevatten aangezien dit de vervaardiging aanzienlijk bemoeilijkt, waardoor een onaantrekkelijk voortbrengsel verkregen wordt. Tevens dient om dezelfde reden de temperatuur waarbij men het voortbrengsel vormt niet te hoog te 25 zijn. Derhalve bevat het uitgangsmateriaal bij voorkeur ten minste 10 gew. # water en in het bijzonder ten minste 12 gew. # water. De temperatuur waarbij men het voortbrengsel vormt is met meer voorkeur ten hoogste 110°C en in het bijzonder ten hoogste 100°C. Wanneer men het voortbrengsel bij een lagere temperatuur, bijvoorbeeld een temperatuur 30 van minder dan 100°C, vormt wordt bij voorkeur aan het uitgangsmateriaal een of meer viscositeit verlagende middelen toegevoegd.
Bij een te hoog watergehalte kan verkleuring van het uitgangsmateriaal optreden wat kan leiden tot een voortbrengsel met een onaantrekkelijk uiterlijk. Tevens is gebleken dat bij het verwerken van een 35 uitgangsmateriaal met een hoog watergehalte tot het voortbrengsel in het algemeen een lagere temperatuur en een lage druk noodzakelijk is. Omdat de temperatuur niet hoger dan 130°C, bij voorkeur ten hoogste 120°C, met meer voorkeur ten hoogste 110°C en in het bijzonder ten 1004947 5 hoogste 100°C is, bevat het uitgangsmateriaal derhalve bij voorkeur niet meer dan 16 gew.# water en in het bijzonder niet meer dan 14 gev. % water.
Het uitgangsmateriaal wordt in het algemeen bereid uit plantaar-5 dige materialen of resten en een bindmiddel bevattend basismengsel. Volgens een voorkeursuitvoeringsvorm is het bindmiddel bij voorkeur een polysaccharide. Het basismengsel bevat dan bij voorkeur een los-singsmiddel en een weekmakend middel. Voor het verkrijgen van een voortbrengsel dat snel en zo volledig mogelijk biologisch kan worden 10 afgebroken dient het uitgangsmateriaal zoveel mogelijk plantaardige materialen of resten te bevatten. Verder kan het uitgangsmateriaal natuurlijke kleurstoffen of natuurlijke pigmenten bevatten zoals bijvoorbeeld die welke in voedingsmiddelen worden toegepast. Voorbeelden van geschikte kleurstoffen zijn chlorofyl, betanine, karamel, ver-15 schillende carotenen en annatto.
Het bindmiddel bevattende basismengsel bevat bij voorkeur een lossingsmiddel en een weekmakend middel, waarbij het bindmiddel er voor zorgt dat een voortbrengsel met een voldoende stevigheid verkregen wordt, het lossingsmiddel er voor dient dat, wanneer eenmaal ge-20 vormd, het voortbrengsel eenvoudig uit de matrijs verwijderd kan worden en het weekmakende middel noodzakelijk is voor een goede werking van het bindmiddel. Het basismengsel bevat, betrokken op het bindmiddel, 1 tot 5 gew.% van het lossingsmiddel, bij voorkeur 1,5 tot 4 gew. % en in het bijzonder 2 tot 3 gew.$, en 5 tot 30 gew.% van het 25 weekmakende middel, bij voorkeur 8 tot 25 gew.% en in het bijzonder 10 tot 20 gev.%. Voorbeelden van geschikte bindmiddelen zijn polysaccha-riden zoals bijvoorbeeld zetmeelachtige, pectine-achtige, cellulose-achtige stoffen en gebruikelijke kunststoffen. Voorbeelden van geschikte lossingsmiddelen zijn fosfolipiden zoals lecithinen. Voorbeel-30 den van geschikte weekmakende middelen zijn polaire oplosmiddelen zoals water, alifatische alcoholen, diolen of triolen zoals ethanol, glycol, 1,3-dihydroxypropaan, glycerol en hogere alifatische alcoholen zoals pentaerytritol, di- en triethyleenglycolen en di-en tripropy-leenglycolen en alkyletherderivaten, bijvoorbeeld methyletherderiva-35 ten, en acetaatderivaten daarvan. Het bindmiddel is bij voorkeur een zetmeel en in het bijzonder aardappelzetmeel, een koudoplosbaar zetmeel, bijvoorbeeld "Flocgel", of een gemodificeerd zetmeel. Het lossingsmiddel is bij voorkeur een lecithine en in het bijzonder uit soja 1004947 6 gewonnen lecithine. Het polaire oplosmiddel is bij voorkeur een alifa-tisch triol en in het bijzonder glycerol. Daarbij wordt bij voorkeur natuurlijke glycerol in plaats van synthetische glycerol toegepast. Het basismengsel kan tevens een middel voor het verhogen van de dicht-5 heid van het basismengsel bevatten zoals lignosulfaat.
Het uit plantaardige materialen of resten bereide uitgangsmateriaal bestaat in het algemeen uit plantaardige materialen of resten zoals houtresten, groente- en tuinafval, gedroogde kruiden, gedroogde groenten of resten daarvan, gedroogde bloemen of resten daarvan, ge-10 droogd fruit of resten daarvan, papiersnippers, katoenvezels, hooi, stro, gedroogde bladeren, vlas, hennep, olifantengras of mengsels daarvan. Voorbeelden van geschikte gedroogde kruiden zijn kervel en stelen daarvan, peterselie en kurkuma. Voorbeelden van geschikte groenten of resten daarvan zijn wortels, bieten en kool. Voorbeelden 15 van geschikte bloemen of resten daarvan zijn tulpen, rozen, hibiscus, korenbloemen, goudsbloemen en lavendel. Geschikte voorbeelden van gedroogde bladeren zijn die welke afkomstig zijn van de berk en de brandnetel. Door toepassing van plantaardige materialen of resten die gekleurd zijn en eventueel van natuurlijke kleurstoffen kan een voort-20 brengsel met een aantrekkelijk uiterlijk worden verkregen.
Gebleken is dat het voortbrengsel uit een volledig uit plantaardige materialen of resten bestaand uitgangsmateriaal vervaardigd kan worden indien deze materialen of resten afgeleid zijn van wortels, sperciebonen of erwten.
25 Het uitgangsmateriaal bestaat bij voorkeur uit houtresten, in het bijzonder spaanders en zaagsel, en andere biologisch afbreekbare plantaardige materialen of resten zoals die welke hierboven genoemd zijn, bij voorkeur gedroogd groente- en tuinafval, gedroogde kruiden, gedroogde groenten of resten daarvan, gedroogde bloemen of resten 30 daarvan, gedroogd fruit of resten daarvan, papiersnippers, katoenvezels, hooi, stro, gedroogde bladeren of mengsels daarvan. Het uitgangsmateriaal bevat in het algemeen 1 tot 99 gev.%, bij voorkeur 5 tot 90 gew. % en in het bijzonder 10 tot 95 gew.X houtresten.
Het uitgangsmateriaal verkeert in het algemeen in een vezelachti-35 ge en/of deeltjesachtige vorm en wordt verkregen door mengen van de gewenste bestanddelen. De vezels of deeltjes hebben in het algemeen een grootte van 0,01 tot 10 mm, bij voorkeur van 0,1 tot 5 mm en in het bijzonder van 1 tot 3 mm. Het uitgangsmateriaal kan rechtstreeks 1004947 7 worden verwerkt tot het voortbrengsel volgens de uitvinding. Men kan echter het uitgangsmateriaal eerst pelleteren of extruderen waarbij korrels met een grootte van ongeveer 1 tot 20 mm, bij voorkeur met een grootte van 1 tot 5 mm. verkregen worden.
5 Het voortbrengsel volgens de uitvinding wordt vervolgens door middel van persen of spuitgieten gevormd, waarbij men het uitgangsmateriaal als zodanig, d.w.z. de vezelachtige en deeltjesachtige vorm daarvan, rechtstreeks verwerkt of waarbij men de uit het uitgangsmateriaal bestaande korrels verwerkt. Bij het persen of spuitgieten maakt 10 men gebruik van een matrijs, die de complementaire vorm van die van het gewenste voortbrengsel bezit. Aldus kunnen voortbrengsels worden gevormd die een voldoende stevigheid bezitten en hebben deze in het algemeen een wanddikte van ten minste 1 mm. Zo kunnen voortbrengsels worden vervaardigd met een wanddikte van 1-3 mm. De bovengrens van de 15 wanddikte is in feite niet beperkt en kan bijvoorbeeld 1-5 cm zijn. Het zal aan de deskudige duidelijk zijn dat met de werkwijze volgens de onderhavige uitvinding tevens massieve voortbrengsels vervaardigd kunnen worden.
Wanneer het voortbrengsel door persen wordt gevormd, kan het uit-20 gangsmateriaal veel meer dan 30 gew.# van het bindmiddel bevattende basismengsel bevatten, bijvoorbeeld 70 gew.%. Volgens de uitvinding kan het voortbrengsel derhalve worden vervaardigd uit een uitgangsmateriaal, waarbij men dit uitgangsmateriaal bij een temperatuur van ten hoogste 130°C perst. Volgens de uitvinding wordt dit voortbrengsel bij 25 voorkeur vervaardigd uit een uitgangsmateriaal, dat ten minste 50 tot 100 gew.J», met meer voorkeur 60 tot 99 gew.$ en in het bijzonder 75 tot 95 gew.% plantaardige materialen of resten en 0 tot 50 gew.%, met meer voorkeur 1 tot 40 gew.% en in het bijzonder 5 tot 25 gew.# van een bindmiddel bevattend basismengsel bevat.
30 Met het uitgangsmateriaal volgens de uitvinding kunnen voort brengsels worden gevormd die een uitstekende biologische afbreekbaarheid bezitten. Het uitgangsmateriaal volgens de uitvinding is in het bijzonder geschikt voor het vormen van plantenpotten en -bakken, doodskisten, speelgoed, wegwerpartikelen zoals harde verpakkingen, 35 cardeau-artikelen, kantoorartikelen, verzorgings- en cosmeticaproduc-ten, auto-artikelen, decoratieve producten, huishoudelijke producten en buffermaterialen. De uitvinding heeft derhalve tevens betrekking op een voortbrengsel dat verkrijgbaar is volgens de werkwijze zoals die 1004947 8 beschreven is. Het voortbrengsel volgens de uitvinding kan desgewenst waterafstotend worden gemaakt door dit te coaten met bijvoorbeeld een in water onoplosbaar eiwit of met een biologisch afbreekbare, bij voorkeur natuurlijke was zoals bijenwas. Het waterafstotend maken van 5 het voortbrengsel kan worden bewerkstelligd door aan het basismengsel een biologisch afbreekbaar polymeer zoals polymelkzuur, polycaprolac-ton, buteen-succinaat-adipaatcopolymeren en zetmeel-polyestersblends toe te voegen.
De uitvinding zal verder worden toegelicht aan de hand van enkele 10 voorbeelden.
Voorbeeld 1 15 Een basismengsel werd bereid door mengen van aardappelzetmeel, uit soja gewonnen lecithine en natuurlijke glycerol. De eigenschappen van het lecithine en het glycerol zijn in de onderstaande tabellen weergegeven. Het basismengsel bevatte 2 gew.% lecithine, 14 gew.% glycerol en 8^ gew.% aardappelzetmeel.
20
Lecithine
Fosfolipide (als onoplosbaar in ' min. o2 % aceton)
Water max. 0,8 % 25 Zuurgetal max. 30
Peroxydegetal max. 3
Joodkleurgetal (in 10 %) max. 60
Zwevend materiaal (als onoplos- max. 0,20 % baar in tolueen) 30 Viscositeit (mPa.s; 25°C) 12.000
Totaal kiemgetal/g max. 3000
Glycerol
Zuiverheid min. 99,7 gew. % 1004947 9
Dichtheid (20°) 1,263 kg/1
Kleur Pt-Co schaal max. 10 pH ongeveer 7
Viscositeit ongeveer 1300 mPa.s 5 Watergehalte max. 0,2 gew.#
Verzepingsgetal max. 0,64 meq/100 g
Aan 3 kg van dit basismengsel werd 7 kg plantaardig materiaal toegevoegd, waarbij dit materiaal bestond uit 70 gew.% houtvezels en 10 30 gew.# kervelstelen.
Voorbeeld 2
Het uitgangsmateriaal van voorbeeld 1 werd gespuitgiet met behulp van een spuitgietmachine van het type DEMAG 25 (diameter vein de 15 schroef was 18 mm) tot staven, met dien verstande, dat het uitgangsmateriaal was bereid met toepassing van een basismengsel, dat 30 % aardappelzetmeel bevatte, waarna het uitgangsmateriaal vóór het spuitgie-ten werd gepelleteerd tot korrels met een doorsnede van ongeveer 5 mm en een lengte van ongeveer 12 mm. Het watergehalte van het uitgangsma-20 teriaal was 12,5 %.
De spuitgietomstandigheden waren als volgt:
Matrijstemperatuur 30°C
Cylindertemperatuur (proef 1) 35/HO/115/120/120°C
Cylindertemperatuur (proef 2) 35/95/95/100/100°C
25 Inspuitdruk max. 2400 bar
Toerental 200 tpm
Nadruktijd ongeveer 10 s
Nadrukhoogte 500 bar
Injectietijd < 1 s 30 Cyclustijd ongeveer 50 s
Bij proef 1 bleek bruinkleuring van de staven op te treden wat bij proef 2 nog slechts in zeer lichte mate optrad.
Wanneer men de proef volgens dit voorbeeld herhaalde met een 35 uitgangsmateriaal, dat uit 2 kg van het basismateriaal volgens voor- 1004947 10 beeld 1 en 8 kg plantaardig materiaal volgens voorbeeld 1 bestond, werd een vergelijkbaar resultaat verkregen.
Voorbeeld 3 5 Een uitgangsmateriaal werd bereid uit 70 gew.% zaagsel en 30 gew.% van een basismengsel, dat 84 gev.% zetmeel, 2 gew.% lecithine en 14 gew.% glycerol bevatte. Van het uitgangsmateriaal werden pellets vervaardigd en deze werden vervolgens met toepassing van een matrijs geperst tot een rond komvormig voortbrengsel met een doorsnede van 4l 10 mm, een hoogte van 28 mm en een wanddikte van 1,5 mm. De pers tijd was 3 sec en het persen werd uitgevoerd met een kracht van 80 ton en een matrijstemperatuur van 70°C.
1004947
Claims (15)
1. Werkwijze voor het vervaardigen van een uit in hoofdzaak biologisch afbreekbare grondstoffen bestaand voortbrengsel, waarbij uit 5 biologisch afbreekbare, natuurlijke materialen of resten en eventueel een bindmiddel bevattend basismengsel een uitgangsmateriaal wordt bereid, dat in een matrijs aan een druk- en warmtebehandeling wordt onderworpen, met het kenmerk, dat men: a) een uitgangsmateriaal bereidt dat ten minste 8 gew.% maar niet 10 meer dan 18 gew.% water bevat, en b) het bij stap a) verkregen uitgangsmateriaal als zodanig of in de vorm van korrels bij een temperatuur van ten hoogste 130°C in de matrijs tot het voortbrengsel vormt.
2. Werkwijze volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat men het 15 uitgangsmateriaal uit 70 tot 99 gew.% plantaardige materialen of resten en 1 tot 30 gew.% van het bindmiddel bevattende basismengsel bereidt.
3- Werkwijze volgens conclusie 1 of conclusie 2, met het kenmerk, dat het uitgangsmateriaal 75 tot 95 gew.% plantaardige materialen of 20 resten bevat.
4. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk. dat men het voortbrengsel bij een temperatuur van ten hoogste 120°C vormt.
5. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het ken-25 merk, dat het bindmiddel een polysaccharide is.
6. Werkwijze volgens conclusie 5. met het kenmerk, dat het bindmiddel bevattende basismengsel ten minste een lossingsmiddel en een weekmakend middel bevat.
7· Werkwijze volgens conclusie 5 of conclusie 6, met het kenmerk. 30 dat het bindmiddel bevattende basismengsel, betrokken op het bindmiddel, 1 tot 5 gew.% van het lossingsmiddel en 10 tot 30 gew.% van het weekmakende middel bevat.
8. Werkwijze volgens een der conclusies 5_7· met het kenmerk, dat het lossingsmiddel een lecithine en het weekmakende middel een polair 35 oplosmiddel is.
9. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk. dat de plantaardige materialen of resten houtresten, gedroogde kruiden, gedroogde groenten of resten daarvan, gedroogde bloemen of 1004947 resten daarvan, gedroogd fruit of resten daarvan, papiersnippers, katoenvezels, hooi, stro, gedroogde bladeren of mengsels daarvan zijn.
10. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk. dat de plantaardige materialen of resten houtdeeltjes met een 5 grootte van 0,01 tot 10 mm bevatten.
11. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk. dat men het uitgangsmateriaal vóór stap b) pelleteert of extrudeert tot deeltjes met een doorsnede van 1 tot 20 mm.
12. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het ken-10 merk, dat men het voortbrengsel door middel van persen of spuitgieten vormt.
13. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat men het voortbrengsel door middel van persen vormt. 1*4. Werkwijze volgens een der voorgaande conclusies, met het 15 kenmerk. dat men het uitgangsmateriaal uit 50 tot 100 gew.Ji plantaardige materialen of resten en 0 tot 50 gew.% van het bindmiddel bevattende basismengsel bereidt.
15. Voortbrengsel verkrijgbaar volgens de werkwijze volgens een of meer der conclusies 1 tot 1*1.
16. Voortbrengsel volgens conclusie 15, met het kenmerk. dat het voortbrengsel een wanddikte van ten minste 1 mm bezit. 1004947 SAMENWERKINGSVERDRAG (PCT) RAPPORT BETREFFENDE NIEUWHEIDSONDERZOEK VAN INTERNATIONAAL TYPE IOENTIFIKATIE VAN OE NATIONALE AANVRAGE Kanmerk van de aanvrager of van de gemachtigde N.O. 40956 TM Nederlandse aanvrage nr. Indieningsdatum 1004947 7 januari 1997 Ingaroapan voorrangsdatum Aanvrager (Naam) LAMORËE, Heleen Oatum van het verzoek voor aan onderzoek van internationaal type Door da Instantie voor internationaal Onderzoek (ISA) aan het verzoek voor een onderzoek van internationaal type toegekend nr. SN 28779 NL I. CLASSIFICATIE VAN HET ONOERWERPIbij toepassing van verschillende classificaties,alle classificatiesymbolen opgeven) Volgens de Internationale classificatie (IPC) Int. Cl.6; A 01 G 9/10 II. ONDERZOCHTE GEBIEDEN VAN DE TECHNIEK Onderzochte minimum documentatie Classificatiesysteem Classificatiesymbolen Int. Cl.6 A 01 G, C 08 L Onderzoen* andere documentatie den de minimum documentatie voor zover der gelijke documenten in de onderzochte gebieden zijn oogenomen lil. Γ Ί GEEN ONDERZOEK MOGELIJK VOOR BEPAALDE CONCLUSIES (opmerkingen op aanvullingsblad) IV. | ' 1 GEBREK AAN EENHEID VAN UITVINDING (opmerkingen op aanvullingsblad) 1 ~j Foi-m eCT/ISA/20111) 07.1979
Priority Applications (3)
Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
---|---|---|---|
NL1004947A NL1004947C2 (nl) | 1997-01-07 | 1997-01-07 | Werkwijze voor het vervaardigen van een uit in hoofdzaak biologisch afbreekbare grondstoffen bestaand voortbrengsel. |
PCT/NL1998/000009 WO1998030081A1 (en) | 1997-01-07 | 1998-01-07 | Method for fabricating a product comprising substantially biodegradable raw materials |
AU54992/98A AU5499298A (en) | 1997-01-07 | 1998-01-07 | Method for fabricating a product comprising substantially biodegradable raw materials |
Applications Claiming Priority (2)
Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
---|---|---|---|
NL1004947 | 1997-01-07 | ||
NL1004947A NL1004947C2 (nl) | 1997-01-07 | 1997-01-07 | Werkwijze voor het vervaardigen van een uit in hoofdzaak biologisch afbreekbare grondstoffen bestaand voortbrengsel. |
Publications (2)
Publication Number | Publication Date |
---|---|
NL1004947A1 NL1004947A1 (nl) | 1998-07-13 |
NL1004947C2 true NL1004947C2 (nl) | 1998-07-27 |
Family
ID=19764176
Family Applications (1)
Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
---|---|---|---|
NL1004947A NL1004947C2 (nl) | 1997-01-07 | 1997-01-07 | Werkwijze voor het vervaardigen van een uit in hoofdzaak biologisch afbreekbare grondstoffen bestaand voortbrengsel. |
Country Status (3)
Country | Link |
---|---|
AU (1) | AU5499298A (nl) |
NL (1) | NL1004947C2 (nl) |
WO (1) | WO1998030081A1 (nl) |
Families Citing this family (5)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
JP2001128560A (ja) * | 1999-11-10 | 2001-05-15 | Yasuo Iwamoto | 動植物残滓を主原料とした植木鉢及びこの製法 |
JP2005131790A (ja) * | 2002-03-05 | 2005-05-26 | Mikazuki Napurasu Kigyo Kumiai | 生分解性繊維質成形体の製造方法 |
FR2941703B1 (fr) * | 2009-02-02 | 2012-03-02 | Eurotab | Produit compacte a base de bois et de cellulose. |
ITBO20110114A1 (it) * | 2011-03-09 | 2012-09-10 | Giuseppe Mandrioli | Contenitore particolarmente per piante e simili. |
CN104308946B (zh) * | 2014-08-29 | 2017-02-01 | 朱年才 | 可快速降解的植物纤维建筑装饰材料及其制备方法 |
Citations (6)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
EP0559450A2 (en) * | 1992-03-04 | 1993-09-08 | Kabushiki Kaisha Hayashibara Seibutsu Kagaku Kenkyujo | Binder and its uses |
EP0613905A1 (de) * | 1993-03-02 | 1994-09-07 | Aloys Prof. Dr. Hüttermann | Verrottbarer Formkörper, insbesondere verrottbarer Pflanztopf |
WO1995004111A1 (de) * | 1993-07-29 | 1995-02-09 | Markus Rettenbacher | Formkörper aus bzw. mit einem umweltverträglichen werkstoff, verfahren zu dessen herstellung sowie dessen verwendung |
EP0716804A1 (en) * | 1994-12-16 | 1996-06-19 | Ichiro Sugimoto | Soil-decomposing seedling pot |
WO1996018675A1 (en) * | 1994-12-02 | 1996-06-20 | Co-Pak, Inc. | Agricultural residue based absorbent material and method for manufacture |
DE19500653A1 (de) * | 1995-01-12 | 1996-07-18 | Christian Dipl Che Nuernberger | Verfahren und Vorrichtung zur Herstellung eines durch Verrottung oder Verdauung abbaubaren Behälters sowie dergleichen Behälter |
Family Cites Families (1)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
CH689393A5 (de) * | 1995-07-11 | 1999-03-31 | Bct Ag | Formmasse auf Basis von pflanzlichen Fasern, Verfahren zur Herstellung von Formkoerpern auf Basis von pflanzlichen Fasern, Vorrichtung zum Pressen von Formmassen sowie Formteil. |
-
1997
- 1997-01-07 NL NL1004947A patent/NL1004947C2/nl not_active IP Right Cessation
-
1998
- 1998-01-07 WO PCT/NL1998/000009 patent/WO1998030081A1/en active Application Filing
- 1998-01-07 AU AU54992/98A patent/AU5499298A/en not_active Abandoned
Patent Citations (6)
Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
---|---|---|---|---|
EP0559450A2 (en) * | 1992-03-04 | 1993-09-08 | Kabushiki Kaisha Hayashibara Seibutsu Kagaku Kenkyujo | Binder and its uses |
EP0613905A1 (de) * | 1993-03-02 | 1994-09-07 | Aloys Prof. Dr. Hüttermann | Verrottbarer Formkörper, insbesondere verrottbarer Pflanztopf |
WO1995004111A1 (de) * | 1993-07-29 | 1995-02-09 | Markus Rettenbacher | Formkörper aus bzw. mit einem umweltverträglichen werkstoff, verfahren zu dessen herstellung sowie dessen verwendung |
WO1996018675A1 (en) * | 1994-12-02 | 1996-06-20 | Co-Pak, Inc. | Agricultural residue based absorbent material and method for manufacture |
EP0716804A1 (en) * | 1994-12-16 | 1996-06-19 | Ichiro Sugimoto | Soil-decomposing seedling pot |
DE19500653A1 (de) * | 1995-01-12 | 1996-07-18 | Christian Dipl Che Nuernberger | Verfahren und Vorrichtung zur Herstellung eines durch Verrottung oder Verdauung abbaubaren Behälters sowie dergleichen Behälter |
Also Published As
Publication number | Publication date |
---|---|
NL1004947A1 (nl) | 1998-07-13 |
AU5499298A (en) | 1998-08-03 |
WO1998030081A1 (en) | 1998-07-16 |
Similar Documents
Publication | Publication Date | Title |
---|---|---|
WO2009043580A1 (en) | Biodegradable composition, preparation method and their application in the manufacture of functional containers for agricultural and/or forestry use | |
EP1363981B1 (en) | Compressed blends of coconut coir pith and non-coir/non-peat materials, and processes for the production thereof | |
KR101745452B1 (ko) | 인장강도가 개선된 친환경 자연분해 멀칭재 | |
JP4426843B2 (ja) | 植物成長媒体並びにその製造方法及びそれに使用するための組成物 | |
AU2002243777A1 (en) | Compressed blends of coconut coir pith and non-coir/non-peat materials | |
JP2002509781A (ja) | 植物繊維製食器及び食品と品物の包装製品 | |
KR100574547B1 (ko) | 내수성이 개선된 생분해성 조성물 및 그 제조방법 | |
CN105856380A (zh) | 一种利用秸秆、果壳纤维制可降解餐具及容器具的工艺 | |
NL1004947C2 (nl) | Werkwijze voor het vervaardigen van een uit in hoofdzaak biologisch afbreekbare grondstoffen bestaand voortbrengsel. | |
CN107964254A (zh) | 含茶粉的可降解复合材料及其制备方法与应用 | |
PL182463B1 (pl) | Materiał pokrywający do gleby rolniczej | |
NL2024846B1 (en) | Adhesive composition for providing a culture substrate for plants | |
AU2021262620A1 (en) | Compositions for biodegradable plant pots | |
SK403492A3 (en) | Biologic degradable material and method of its manufacture | |
PL236220B1 (pl) | Biodegradowalna doniczka do hodowli roślin | |
Barbosa et al. | Biodegradable pots for seedlings | |
Jaya et al. | Review on biodegradable pot: A new promising approach for sustainable agriculture | |
JP7138332B2 (ja) | 成形品及びその製造方法 | |
JP2023023146A (ja) | 育苗ポット | |
KR100979734B1 (ko) | 생분해성 조성물의 제조방법, 그리고 제조방법을 통해 제조된 생분해성 조성물을 이용한 용기의 제조방법 | |
Husna et al. | Analysis and comparison of peanut shell’s cellulose content | |
JP2003011108A (ja) | 植物由来材料製成形品とその製造方法 | |
KR20100113309A (ko) | 생분해성 일회용 용기의 제조 방법 및 그 조성물 | |
Alamsjah et al. | Porosity structure of green polybag of medium density fiberboard from seaweed waste | |
WO2020208645A1 (en) | Degradable food containers |
Legal Events
Date | Code | Title | Description |
---|---|---|---|
AD1B | A search report has been drawn up | ||
PD2B | A search report has been drawn up | ||
VD1 | Lapsed due to non-payment of the annual fee |
Effective date: 20010801 |