<Desc/Clms Page number 1>
"Transmissiesysteem met gebruik van verschillende codeerprincipes"
De uitvinding heeft betrekking op een transmissiesysteem omvattende een zender voorzien van een coder voor het coderen van een ingangssignaal, welke coder is voorzien van een tijddomein coder voor het afleiden van een eerste digitaal gecodeerd signaal uit een eerste spectraal deel van het ingangssignaal en van een verdere coder voor het afleiden van een tweede digitaal gecodeerd signaal uit een tweede spectraal deel van het ingangssignaal,
welke zender tevens is voorzien van zendmiddelen voor het verzenden van het eerste digitaal gecodeerd signaal en het tweede digitaal gecodeerd signaal via een transmissiekanaal naar een ontvanger omvattende een decoder voorzien van een tijddomein decoder voor afleiden van een eerste gedecodeerd signaal uit het eerste digitaal gecodeerd signaal en van een verdere decoder voor het afleiden van een tweede gedecodeerd signaal uit het tweede digitaal gecodeerd signaal en van combinatiemiddelen voor het afleiden van een gereconstrueerd signaal uit het eerste en het tweede gedecodeerd signaal.
De uitvinding heeft bovendien betrekking op een zender, een ontvanger, een coder en een decoder voor gebruik in een dergelijk transmissiesysteem.
Een transmissiesysteem volgens de aanhef is bekend uit de gepubliceerde Britse octrooiaanvrage GB 2 188 820.
Dergelijke transmissiesystemen worden bijvoorbeeld gebruikt voor het overdragen van spraak- of muzieksignalen over kanalen met een beperkte transmissiecapaciteit.
Een eerste voorbeeld van een dergelijk kanaal is een radiokanaal tussen een mobiel station en een vast basisstation. De beschikbare transmissiecapaciteit van dit kanaal is beperkt omdat dit kanaal door zeer veel gebruikers benut wordt. Een tweede voorbeeld is een registratiekanaal dat gebruik maakt van een magnetisch, optisch of een ander registratiemedium zoals bijvoorbeeld een ROM. Hierbij is de capaciteit ook veelal begrensd.
In de zender van het uit de Britse octrooiaanvrage bekende transmissiesys-
<Desc/Clms Page number 2>
teem wordt het ingangssignaal door middel van een laagdoorlaatfilter en een hoogdoor- laatf11ter omgezet in een in een eerste spectraal deel en in een tweede spectraal deel van het ingangssignaal.
Het eerste spectrale deel en het tweede spectrale deel worden door een tijddomein coder omgezet in een eerste respectievelijk tweede digitaal gecodeerd signaal. Voorbeelden van tijddomein coders, zijn coders die gebruik maken van puls code modulatie, differentiële puls codemodulatie, adaptieve differentiële puls code modulatie, delta modulatie, adaptieve delta modulatie, vectorquantisatie (CELP) en codeermethoden die gebruik maken van lineaire predictie. Het eerste digitaal gecodeerd signaal en het tweede digitaal gecodeerd signaal worden toegevoerd aan de zendmiddelen die in het bekende transmissiesysteem uit een multiplexer bestaan.
Het uitgangssignaal van de multiplexer wordt via het kanaal naar de ontvanger verzonden waar het eerste en het tweede digitaal gecodeerd signaal door middel van een demultiplexer worden teruggewonnen. Door de tijddomein decoder en de verdere decoder worden nu een eerste en een tweede gedecodeerd signaal uit de gecodeerde signalen afgeleid. Met de combinatiemiddelen, die in het bekende transmissiesysteem bestaat uit een optelschakeling, wordt uit het eerste en het tweede gedecodeerde signaal het gereconstrueerde signaal bepaald.
Een probleem van het bekende transmissiesysteem is dat de kwaliteit van het gereconstrueerde signaal gezien de benodigde transmissiesnelheid niet voor alle toepassingen voldoende is.
Het doel van de uitvinding is het verschaffen van een transmissiesysteem volgens de aanhef waarbij bij een gelijke transmissiesnelheid de kwaliteit van het gereconstrueerde signaal wordt verhoogd, of bij een gelijke kwaliteit van het gereconstrueerde signaal de benodigde transmissiesnelheid wordt verlaagd.
Hiertoe is de uitvinding gekenmerkt doordat de verdere coder een transformatiedomein coder omvat en de verdere decoder een transformatiedomein decoder omvat.
De uitvinding is gebaseerd op het inzicht dat voor bepaalde spectrale delen van het ingangssignaal een tijddomein coder optimaal is, en dat voor andere spectrale delen een transformatiedomein coder optimaal is. Voorbeelden van transformatiedomein
<Desc/Clms Page number 3>
coders zijn coders die gebruik maken van sub-band codering en diverse vormen van codering die gebruik maken van een transformatie van het tijddomein naar een ander domein. Dergelijke transformaties zijn bijvoorbeeld de discrete Fourier transformatie, de discrete cosinus transformatie of de discrete Walsh Hadamard transformatie. Hierbij kan al of niet gebruik gemaakt wordt van psychoakoestische eigenschappen van het menselijk gehoorsysteem.
Door nu voor verschillende spectrale delen van het ingangssignaal een tijddomein, respectievelijk een transformatiedomein coder te gebruiken is het mogelijk om de kwaliteit van het gereconstrueerde signaal aanzienlijk te verhogen.
Er wordt opgemerkt dat in het Duitse octrooischrift DE 26 05 306 C2 een transmissiesysteem wordt geopenbaard, waarin een ingangssignaal wordt gesplitst in een eerste spectraal deel dat door een basisband signaal wordt gerepresenteerd, en een tweede spectraal deel dat wordt gerepresenteerd door een aantal sub-bandsignalen.
Echter in dit transmissiesysteem worden de betreffende signalen analoog verzonden, zodat geen coders en decoders nodig zijn. Het zal duidelijk zijn dat de problematiek van digitale codering van analoge signalen in de uit dit Duitse octrooischrift bekende transmissiesysteem geen enkele rol speelt.
Een voorkeursuitvoeringsvorm van de uitvinding is gekenmerkt door dat de frequenties die gelegen zijn in het eerste spectrale deel lager zijn dan de frequenties die gelegen zijn in het tweede spectrale deel.
Experimenten hebben aangetoond dat het gebruik van een tijddomein coder in het laagfrequente gebied van 0 Hz tot enkele KHz en een transformatiedomein coder voor de hogere frequentiegebieden leidt tot een aanzienlijke verbetering van de kwaliteit van het gereconstrueerde signaal
De uitvinding zal nu nader toegelicht worden aan de hand van de figuren waarin gelijke elementen met gelijke verwijzingscijfers aangeduid worden.
Hierin toont :
Fig. 1 een transmissiesysteem volgens de uitvinding ;
Fig. 2 een sub-band coder voor gebruik in een transmissiesysteem volgens Fig. 1 ;
Fig. 3 een sub-band decoder voor gebruik in een transmissiesysteem volgens Fig. 1 ;
Fig. 4 selectiemiddelen voor gebruik in de sub-band coder volgens Fig. 2
<Desc/Clms Page number 4>
Fig. 5 een stroomschema van een programma voor gebruik in de processor 118 in de selectiemiddelen volgens Fig. 4 ;
Fig. 6 grafische voorstellingen van de in de coder en decoder volgens Fig.
2 en Fig. 3 gebruikte referentieomhullenden die door vier waarden gerepresenteerd worden ;
Fig. 7 grafische voorstellingen van de in de coder en decoder volgens Fig. 2 en Fig. 3 gebruikte referentieomhullenden die door acht waarden gerepresenteerd worden ;
In het transmissiesysteem volgens Fig. 1 wordt het ingangssignaal toegevoerd aan een zender 2. De ingang van de zender 2 is verbonden met een ingang van filtermiddelen 50 in de coder 51. Een eerste uitgang van de filtermiddelen 50 is verbonden met een ingang van een vertragingselement 62. Het uitgangssignaal aan de eerste uitgang van de filtermiddelen 50 representeert het eerste spectrale deel van het ingangssignaal. Een uitgang van het vertragingselement 62 is verbonden met een ingang van de tijddomein coder, zijnde hier een vectorquantisator 66 die gebruik maakt van lineaire predictie (LPC : Linear Predictive Coding).
Een uitgang van de vectorquantisator 66, met als uitgangssignaal het eerste digitaal gecodeerd signaal, is verbonden met een eerste ingang van de zendmiddelen, zijnde hier een multiplexer 68.
Een aantal uitgangen van de filtermiddelen 50 zijn ieder verbonden met een ingang van een transformatiedomein coder, zijnde hier een sub-bandcoder 64. De ingangssignalen van de sub-band coder 64 representeren gezamenlijk het tweede spectrale deel van het ingangssignaal. Een uitgang van de sub-band coder 64 met als uitgangssignaal het tweede digitaal gecodeerd signaal is verbonden met een tweede ingang van de multiplexer 68.
De uitgang van de multiplexer 68 is via het kanaal 4 verbonden met een ingang van een ontvanger 6. In de ontvanger 6 wordt het signaal aan de ingang toegevoerd aan een demultiplexer 70. Een eerste uitgang van de demultiplexer 70 met als uitgangssignaal het eerste digitaal gecodeerd signaal is verbonden met een tijddomein decoder, zijnde hier een inverse vectorquantisator 84 die gebruik maakt van lineaire predictie. Een uitgang van de inverse vectorquantisator 84 met als uitgangssignaal een eerste gereconstrueerd signaal is verbonden met een ingang van een vertragingselement
<Desc/Clms Page number 5>
86. De uitgang van het vertragingselement 86 is verbonden met een eerste ingang van de combinatiemiddelen 88. Een tweede uitgang van de demultiplexer 70 is verbonden met een ingang van de transformatiedomein decoder, zijnde hier een sub-band decoder 72.
Een aantal uitgangen van de sub-band decoder 72 met als uitgangssignalen gereconstrueerde signalen die het tweede spectrale deel van het ingangssignaal representeren zijn ieder verbonden met een ingang van de combinatiemiddelen 88. Aan de uitgang van de combinatiemiddelen 88 is het gereconstrueerde ingangssignaal beschikbaar.
Het ingangssignaal van het transmissiesysteem volgens Fig. 1 wordt door de filtermiddelen 50 gesplitst in een eerste spectrale deel en een tweede spectrale deel.
Het eerste spectrale deel wordt door middel van de vectorquantisator 66 omgezet in een eerste digitaal gecodeerd signaal. Een geschikte implementatie van de vectorquantisator 66 is bijvoorbeeld beschreven in de CCITI Recommendation G. "Coding of speech at 16 kbit/s using low delay code excited linear prediction. Deze coder berust of het principe van"analyse door synthese".
In deze vectorquantisator wordt het te coderen ingangssignaal omgezet in opeenvolgende segmenten van een aantal signaalmonsters van het te coderen signaal.
Voor een groot aantal codeboekwoorden opgeslagen in een codeboek wordt met behulp van een synthesefilter een gesynthetiseerd signaalsegment opgewekt. Het verschil van het actuele segment van het ingangssignaal en het gesynthetiseerde signaalsegment wordt door middel van een perceptueel weegfilter gefilterd. Van een segment van uitgangssignaalmonsters van het perceptuele weegfilter wordt de kwadratische som van de signaalmonsters berekend.
Dit bepalen van het gesynthetiseerde signaal, het bepalen van het verschil tussen het ingangssignaal en het gesynthetiseerde signaal, het filteren met behulp van het perceptief weegfilter en het bepalen van de kwadratische som gebeurt voor ieder van de beschikbare 1024 codeboekwoorden. Van deze codeboekwoorden wordt dat codeboekwoord geselecteerd dat aanleiding geeft tot de kleinste kwadratische som.
De overdrachtsfunctie van het analysefilter wordt bepaald met behulp van lineaire predictie een schatting van het verband tussen opeenvolgende signaalmonsters in de vier aan het actuele segment voorafgaande segmenten van het gesynthetiseerde signaal. Het gecodeerde signaal bestaat nu uit een codeboek index van het geselecteerde codeboek woord. Er wordt opgemerkt dat de predictieparameters niet overgedragen hoeven te worden.
<Desc/Clms Page number 6>
Het tweede spectrale deel van het ingangssignaal wordt gerepresenteerd door de sub-bandsignalen aan de uitgang van de flltermiddelen 50. Deze sub-bandsignalen worden door de sub-bandcoder 64 omgezet in het tweede digitaal gecodeerd signaal.
Er wordt opgemerkt dat de sub-bandsignalen aan de uitgang van de filtermiddelen 50 basisband signalen zijn die een banddoorlaat signaal in de betreffende sub-band representeren. Deze basisband representatie heeft als voordeel dat het benodigde monsters per sub-band wordt bepaald door de bandbreedte van de betreffende sub-band en niet door de maximale frequentie in de betreffende sub-band. Een geschikte implementatie van de sub-bandcoder 64 voor signalen met een bemonsterfrequentie van 48 kHz is bekend uit de Draft International Standard ISO/IEC DIS 11172"Information technology- Coding of moving pictures and associated audio for digital storage media up to about 1, 5 Mbit/s" section 3 pp. 174-337. De sub-band signalen aan de ingang worden door middel van quantisatie omgezet in een digitaal signaal.
De sub-band signalen worden met aantal niveaus gequantiseerd dat voor verschillende sub-banden verschillend kan zijn. Het actuele aantal quantisatieniveaus dat voor iedere sub-band wordt gebruikt hangt af van het vermogen van het betreffende sub-bandsignaal en het vermogen van de sub-bandsignalen van nabijgelegen sub-banden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de eigenschap van het menselijk gehoorsysteem dat een zwak signaal in de nabijheid van een sterk signaal niet hoorbaar is. Hierdoor is het mogelijk om een dergelijk zwak signaal met aanzienlijk minder quantisatieniveaus te quantiseren dan het sterke signaal.
Aan de hand van de sterkte van de diverse sub-band signalen wordt voor iedere subband een nog juist waarneembaar ruisniveau berekend. Uit dit ruisniveau wordt het aantal benodigde quantisatieniveaus voor ieder sub-band signaal bepaald. Het tweede digitaal gecodeerd signaal bestaat nu uit de verschillende gequantiseerde sub-bandsignalen en uit informatie over het aantal quantisatieniveaus van iedere sub-band. Er wordt opgemerkt dat de hierboven beschreven coder is ingericht voor het coderen van een signaal van 0-24 kHz. Aangezien dat een eerste spectraal deel door de tijddomein coder worden gecodeerd hoeven de sub-banden die in dit spectrale gebied liggen niet gecodeerd te worden. Dit kan eenvoudigweg gebeuren door geen bits aan deze sub-banden te alloceren.
Door de multiplexer 68 worden het eerste en het tweede digitaal gecodeerd signaal tot een enkel signaal gecombineerd. Het vertragingselement 62 is aanwezig om de vertraging van de spectrale delen van het ingangssignaal, die via twee
<Desc/Clms Page number 7>
wegen de multiplexer 68 bereiken, gelijk te maken. Dit enkele signaal wordt door de zender via het kanaal naar de ontvanger verzonden. In de ontvanger wordt het gecombineerde signaal weer ontbonden in het eerste digitaal gecodeerd signaal en het tweede digitaal gecodeerd signaal. Het eerste digitaal gecodeerd signaal wordt door de inverse vectorquantisator 84 omgezet in een eerste gereconstrueerd signaal. Een geschikte implementatie van de deeldecoder is beschreven in de eerder genoemde CCITT Recommendation G. 728.
In deze inverse vector quantisator 84 wordt het door de vectorquantisator 66 geselecteerde codeboekwoord aan de hand van de overgezonden codeboekindex opgewekt. Met behulp van een synthesefilter wordt het codeboekwoord omgezet in een gedecodeerd signaal. De parameters van het synthesefilter worden hiertoe met behulp van lineaire predictie uit de vier segmenten voorafgaande aan het huidige segment van het gedecodeerde signaal afgeleid. Dit gebeurt op eenzelfde wijze als in de coder 66.
Het tweede digitaal gecodeerd signaal wordt door de sub-band decoder 72 omgezet in een aantal gedecodeerde sub-bandsignalen die beschikbaar zijn aan de uitgang van de sub-band decoder 72. Er wordt opgemerkt dat deze sub-bandsignalen basisband signalen zijn die een banddoorlaat signaal in de betreffende sub-band representeren. Deze basisband representatie heeft als voordeel dat het benodigde monsters per sub-band wordt bepaald door de bandbreedte van de betreffende sub-band en niet door de maximale frequentie in de betreffende sub-band. Door de combinatiemiddelen 88 worden de sub-bandsignalen naar de gewenste sub-band frequentie geconverteerd en vervolgens gecombineerd met het eerste gedecodeerd signaal tot een gereconstrueerd ingangssignaal.
In de sub-band coder 64 volgens Fig. 2 wordt ieder der sub-band signalen toegevoerd aan een eigen deelcoder 91... 100. De deelcoders 91... 100 zijn volgens eenzelfde principe opgebouwd. De ingang van de deelcoder 91 is verbonden met segmenteermiddelen 90. De uitgang van de segmenteermiddelen 90 is verbonden met een ingang van meetmiddelen 92 en met een ingang van schaalmiddelen 94. Een eerste uitgang van de meetmiddelen 92 is verbonden met een stuuringang van de schaalmiddelen 94. Een tweede uitgang van de meetmiddelen met als uitgangssignaal een vermogensmaat is verbonden met een eerste ingang van een multiplexer 102. De uitgang van de schaalmiddelen 94 is verbonden met een ingang van een absolute waarde bepaler 95 en met een ingang van tekenbepalingsmiddelen 98.
Een uitgang van de
<Desc/Clms Page number 8>
absolute waarde bepalingsmiddelen is verbonden met een ingang van selectiemiddelen 96. Een uitgang van de selectiemiddelen 96, met als uitgangssignaal een identificatiecode van een geselecteerde referentieomhullende, is verbonden met een ingang van de multiplexer 102. Een uitgang van de tekenbepalingsmiddelen is verbonden met een derde ingang van de multiplexer 102. De uitgang van de multiplexer 102 vormt de uitgang van de sub-bandcoder 64.
In een uitvoering van de coder 51 bedoeld voor een transmissiesysteem voor audiosignalen met een maximale frequentie van 8 kHz, omvat het eerste spectrale deel het frequentiegebied van 0-2 kHz, en omvat het tweede spectrale deel het frequentiegebied van 2 kHz tot 8 kHz. Het tweede spectrale gebied wordt gerepresenteerd door de acht sub-bandsignalen aan de ingang van de sub-bandcoder 64. In de deelcoders 91 ... 100 worden de sub-bandsignalen gesegmenteerd in segmenten met een gelijke tijdsduur, waarbij het aantal monsters van het sub-bandsignaal in een segment evenredig is met de bandbreedte van het betreffende sub-bandsignaal. Het frequentiegebied van iedere sub-band en het daarbij behorende aantal monsters per segment is gegeven in Tabel l. De tijdsduur van een segment is 4 mS.
TABEL 1
EMI8.1
<tb>
<tb> sub-band <SEP> i <SEP> fmin <SEP> [kHz] <SEP> fmax <SEP> [kHz] <SEP> #f <SEP> [kHz] <SEP> monsters/segment
<tb> 1 <SEP> 2 <SEP> 2, <SEP> 5 <SEP> 0, <SEP> 5 <SEP> 4 <SEP>
<tb> 2 <SEP> 2, <SEP> 5 <SEP> 3 <SEP> 0, <SEP> 5 <SEP> 4 <SEP>
<tb> 3 <SEP> 3 <SEP> 3,5 <SEP> 0, <SEP> 5 <SEP> 4 <SEP>
<tb> 4 <SEP> 3, <SEP> 5 <SEP> 4 <SEP> 0, <SEP> 5 <SEP> 4 <SEP>
<tb> 5 <SEP> 4 <SEP> 5 <SEP> 1 <SEP> 8 <SEP>
<tb> 6 <SEP> 5 <SEP> 6 <SEP> 1 <SEP> 8 <SEP>
<tb> 7 <SEP> 6 <SEP> 7 <SEP> 1 <SEP> 8 <SEP>
<tb> 8 <SEP> 7 <SEP> 8 <SEP> 1 <SEP> 8 <SEP>
<tb>
In een uitvoering van de coder 51 bedoeld voor een transmissiesysteem voor audiosignalen met een maximale frequentie van 16 kHz, omvat het eerste spectrale deel het frequentiegebied van 0 - 4 kHz, en omvat het tweede spectrale deel het frequentiegebied van 4 kHz tot 16 kHz.
Het tweede spectrale gebied wordt dan
<Desc/Clms Page number 9>
gerepresenteerd door de acht sub-bandsignalen aan de ingang van de sub-bandcoder 64.
In de deelcoders 91... 100 worden de sub-bandsignalen eveneens gesegmenteerd in segmenten met een gelijke tijdsduur, waarbij het aantal monsters van het sub-bandsignaal in een segment evenredig is met de bandbreedte van het betreffende sub-bandsignaal. Het frequentiegebied van iedere sub-band en het daarbij behorende aantal monsters per segment is gegeven in Tabel 2. De tijdsduur van een segment is hier 2 mS.
TABEL 2
EMI9.1
<tb>
<tb> sub-band <SEP> i <SEP> fmin <SEP> [kHz] <SEP> fmax <SEP> [kHz] <SEP> Af <SEP> [kHz] <SEP> monsters/segment
<tb> 1 <SEP> 4 <SEP> 5 <SEP> 1 <SEP> 4 <SEP>
<tb> 2 <SEP> 5 <SEP> 6 <SEP> 1 <SEP> 4
<tb> 3 <SEP> 6 <SEP> 7 <SEP> 1 <SEP> 4
<tb> 4 <SEP> 7 <SEP> 8 <SEP> 1 <SEP> 4
<tb> 5 <SEP> 8 <SEP> 10 <SEP> 2 <SEP> 8
<tb> 6 <SEP> 10 <SEP> 12 <SEP> 2 <SEP> 8
<tb> 7 <SEP> 12 <SEP> 14 <SEP> 2 <SEP> 8 <SEP>
<tb> 8 <SEP> 14 <SEP> 16 <SEP> 2 <SEP> 8 <SEP>
<tb>
De meetmiddelen 92 bepalen een vermogensmaat voor het betreffende segment van sub-bandsignaalmonsters. Deze vermogensmaat wordt omgezet in een logaritmische vermogensmaat, en het verschil tussen de logaritmische vermogensmaten van een actueel segment en het daaraan voorafgaande segment wordt gecodeerd door middel van Huffmann codering.
Het Huffmann gecodeerde signaal wordt toegevoerd aan de multiplexer 68 ter verzending van dit signaal naar de ontvanger 6. Een alternatieve wijze van het coderen van de vermogensmaat van de verschillende sub-banden is het coderen van de vermogensmaat van een bepaalde subband en het coderen van het verschil van het vermogen van deze betreffende sub-band en de andere sub-banden. Dit leidt in situaties waarin de vermogensmaten van de verschillende sub-banden gecorreleerd zijn tot een aanzienlijke besparing van transmissiecapaciteit. De schaalmiddelen 94 schalen de sub-bandsignaalmonsters aan de hand van een stuursignaal afkomstig van de meetmiddelen zodanig dat het vermogen van de segmenten aan de uitgang van de schaalmiddelen 94 een constante waarde heeft.
De absolute waarde bepaler 95 bepaalt
<Desc/Clms Page number 10>
de omhullende van het uitgangssignaal van de schaalmiddelen 94 en voert deze in gesegmenteerde vorm toe aan de selectiemiddelen 96. De selectiemiddelen vergelijken de omhullende van het uitgangssignaal van de schaalmiddelen 94 met een aantal referentieomhullende, en selecteren die referentieomhullende die het meest overeenkomt met de omhullende van het uitgangssignaal van de schaalmiddelen 94. De selectiemiddelen leveren aan hun uitgang een identificatiecode van de geselecteerde referentieomhullende. Deze identificatiecode wordt door middel van de multiplexer 102 toegevoerd ter verzending naar de ontvanger 6.
In de sub-banden waarin vier sub-bandsignaalmonsters per segment worden gebruikt worden vijf referentieomhullenden gebruikt, terwijl in de sub-banden waarin acht sub-bandsignaalmonsters per segment worden gebruikt elf referentieomhullenden worden gebruikt.
Het aantal gebruikte referentieomhullende in de sub-banden met acht subbandsignaalmonsters kan vari ren van een tot elf. Door de Huffmanncodering van de vermogensmaat, kan het aantal benodigde bits voor deze vermogensmaat van segment tot segment verschillen. Indien er hierdoor transmissiecapaciteit over is, kan deze transmissiecapaciteit gebruikt worden voor het verzenden van langere identificatiecodes van referentieomhullenden, waardoor een groter aantal referentieomhullenden gebruikt kan worden voor de codering van de omhullende van het uitgangssignaal van de schaalmiddelen 94.
Door de tekenbepalingsmiddelen 98 wordt het teken van het uitgangssignaal van de schaalmiddelen 94 bepaald. Dit teken wordt toegevoerd aan de derde ingang van de multiplexer 102 ter verzending naar de ontvanger 6. Het is mogelijk dat niet voor alle sub-banden het teken van het uitgangssignaal van de schaalmiddelen 94 naar de ontvanger wordt verzonden, maat dat ter plaatse van de ontvanger dit teken wordt gegenereerd door middel van een ruisgenerator. Deze vereenvoudiging is vooral toelaatbaar gebleken bij de hogere sub-banden.
In de sub-band decoder 72 volgens Fig. 3 wordt het uitgangssignaal van de demultiplexer 70 toegevoerd aan een demultiplexer 104. Aan ieder der deeldecoders 106... 114 worden drie uitgangssignalen van de demultiplexer 104 toegevoerd. Een eerste van die uitgangen wordt toegevoerd aan een referentieomhullende generator 108.
Een tweede van die uitgangen is verbonden met een eerste ingang van een vermenigvuldigingsschakeling 110 en een derde van die uitgangen is verbonden met een eerste ingang van een vermenigvuldigingsschakeling 112. Het is echter ook denkbaar dat de
<Desc/Clms Page number 11>
derde uitgang van de multiplexer 104 niet aanwezig is, maar dat de eerste ingang van de vermenigvuldigingsschakeling 112 is verbonden met een uitgang van een ruisbron 109.
Een uitgang van de referentieomhullende generator 108 is verbonden met een tweede ingang van de vermenigvuldigingsschakeling 110. Een uitgang van de vermenigvuldigingsschakeling 110 is verbonden met een tweede ingang van een vermenigvuldigingsschakeling 112. De uitgang van de vermenigvuldigingsschakeling 112 vormt een der gedecodeerde sub-bandsignalen. De deeldecoders 106... 114 zijn op soortgelijke wijze geconstrueerd.
De referentieomhullende generator 108 genereert aan de hand van de ontvangen identificatiecode de geselecteerde referentieomhullende. De vermenigvuldigingsschakeling 110 vermenigvuldigt de geselecteerde referentieomhullende met de vermogensmaat, zodat een replica van de omhullende van het betreffende sub-bandsignaal wordt verkregen. De replica van de omhullende van het sub-bandsignaal wordt in de vermenigvuldigingsschakeling 112 met het ontvangen teken van de sub-bandsignaalmonsters vermenigvuldigd, zodat aan de uitgang van de vermenigvuldigingsschakeling 112 het gedecodeerde sub-bandsignaal beschikbaar is.
Voor sub-banden waarbij het teken van de monsters van het sub-bandsignaal niet wordt overgedragen, wordt het uitgangssignaal van de vermenigvuldigingsschakeling 110 door de vermenigvuldigingsschakeling 112 vermenigvuldigd met het uitgangssignaal van de ruisbron 109.
In de selectiemiddelen 96 volgens Fig. 4 zijn vier ingangen met als ingangssignalen vier absolute waarden van het geschaalde sub-bandsignaal in een segment verbonden met vier ingangen van een processor 118. In Fig. 2 zijn deze vier ingangen van de selectiemiddelen 96 symbolisch weergegeven door een enkele ingang.
Een eerste uitgang van de processor 118, met als uitgangssignaal een adressignaal is verbonden met een ingang van een ROM 116. Vier uitgangen van de ROM 116 met als uitgangssignaal vier waarden die de referentieomhullende representeren, zijn verbonden met vier verdere ingangen van de processor 118. Een tweede uitgang van de processor 118 met als uitgangssignaal de identificatiecode van de referentieomhullende vormt de uitgang van de selectiemiddelen 96.
Er wordt aangenomen dat in de selectiemiddelen 96 volgens Fig. 5 de omhullende van het uitgangssignaal van de schaalmiddelen 94 wordt gerepresenteerd door vier waarden van deze omhullende op opeenvolgende tijdstippen. Ook wordt aangenomen dat de referentieomhullenden worden gerepresenteerd door vier waarden
<Desc/Clms Page number 12>
van deze referentieomhullenden. In de selectiemiddelen 96 genereert de processor opeenvolgend adressen voor de ROM 116. Deze ROM 116 levert de op het betreffende adres opgeslagen referentieomhullende af in de vorm van vier waarden. De processor 118 leest de waarden die de referentieomhullende en die de omhullende van het uitgangssignaal van de schaalmiddelen 94 representeren.
De processor 118 bepaalt een verschilmaat tussen de beide omhullende die bijvoorbeeld gelijk is aan de som van het kwadraat van de verschillen tussen de overeenkomstige waarden die de omhullenden representeren. De processor genereert opeenvolgend de adressen van alle bij de vergelijking te betrekken referentieomhullenden, en plaatst de identificatiecode van die referentieomhullende op de tweede uitgang waarbij de verschilmaat minimaal is. Er wordt opgemerkt dat voor de sub-banden waarin de omhullenden door acht signaalmonsters gerepresenteerd worden de selectiemiddelen acht ingangen moeten hebben. De ROM 116 heeft dan ook acht uitgangen, terwijl de ingangspoorten van de processor 118 dan ook voorzien moeten zijn van acht ingangen.
Voor het uitvoeren van de bovenbeschreven functie moet de processor 118 geladen zijn met een geschikt programma waarvan het stroomschema getoond wordt in Fig. 5. De genummerde instructies hebben de betekenis zoals is aangegeven in de onderstaande tabel.
Nr. Inschrift Betekenis
120 START Begin van het programma
122 MIN : =Z De waarde van de variabele MIN wordt gelijk gemaakt aan een constante Z.
124 READ SEGMENT De waarden die de omhullende van een segment representeren worden gelezen.
126 SHAPENO : = 1 De eerste referentieomhullende wordt geselecteerd.
128 READ SHAPE De waarden die de referentieomhullende representeren worden gelezen.
130 CALCULATE SQDIFF Het kwadratische verschil tussen de referentieomhullende en de en de omhullende van het segment worden berekend.
132 SQDIFF < MIN ? Er wordt getest of SQDIFF kleiner is dan
MIN.
<Desc/Clms Page number 13>
134 MIN : =QSDIFF De waarde van de variabele MIN wordt gelijk gemaakt aan de variabele SQDIFF
136 INDEX : =SHAPENO De index van de tot nu toe meest optimale referentieomhullende wordt opgeslagen.
138 SHAPENO=N ? Er wordt getest of alle referentieomhullenden met de omhullende van een segment zijn vergeleken
140 SHAPENO : = SHAPENO + 1 De volgende referentieomhullende wordt geselecteerd.
142 WRITE INDEX De identificatiecode van de geselecteerde referentieomhullende wordt op de tweede uitgang van de processor geplaatst.
Het programma volgens het stroomschema volgens Fig. 5 wordt voor ieder segment van sub-bandsignaalmonsters een maal uitgevoerd. In blok 122 wordt de variabele MIN die de minimale foutmaat representeert, gelijk gemaakt aan op een zodanig groot getal Z dat de minimale verschilmaat zeker kleiner is dan dat dit getal Z.
Vervolgens wordt in blok 124 de waarden die de omhullende van een segment representeren door de processor 118 gelezen. In blok 126 wordt het adres behorend bij de eerste referentieomhullende op de eerste uitgang van de processor geplaatst. In blok 128 worden de waarden die de referentieomhullende representeren door de processor gelezen. In blok 130 wordt de verschilmaat tussen de omhullende van het segment en de referentieomhullende berekend. De verschilmaat SQDIFF kan als volgt berekend worden :
EMI13.1
L SODjTFF= ,-y,) ) i i=l (In (1) is i een lopende variabele, L het aantal waarden dat de omhullenden representeert, x, de ie waarde van de waarden die de omhullende van het segment representeren en Yi de ie waarde van de waarden die de referentieomhullende representeren.
In blok 132 wordt de waarde van SQDIFF vergeleken met de waarde MIN. Is de waarde van SQDIFF kleiner dan de waarde MIN, dan komt de actuele referentieomhullende meer overeen met de omhullende van het segment dat de referentieomhullenden die eerder zijn vergeleken met de omhullende van het segment. In dat geval wordt de waarde van MIN in blok 134 gelijk gemaakt aan de waarde SQDIFF.
<Desc/Clms Page number 14>
Bovendien wordt dan in blok 136 de waarde INDEX die de identificatiecode van de tot nu toe meest overeenkomende referentieomhullende representeert gelijk gemaakt aan de identificatiecode van de actuele referentieomhullende. Indien de waarde van SQDIFF niet kleiner is dan de waarde van MIN worden de blokken 134 en 136 overgeslagen.
In blok 138 wordt nagegaan of alle referentieomhullenden reeds zijn vergeleken met de omhullende van het segment van sub-bandsignaalmonsters. Indien dit zo is, wordt in blok 142 de variabele INDEX die representatief is voor de identificatiecode van de referentieomhullende die het meest overeenkomt met de omhullende van het segment van sub-bandsignaalmonsters. Indien nog niet alle bij de vergelijking te betrekken referentieomhullenden zijn vergeleken met de omhullende van het segment van sub-bandsignaalmonsters, wordt in blok 140 de volgende referentieomhullende geselecteerd, en wordt er vervolgens naar blok 128 gesprongen.
Er wordt opgemerkt dat de coder en decoder volledig in hardware geïmplementeerd kan worden, maar het is ook mogelijk dat de coder en/of de decoder geheel of gedeeltelijk in een signaalprocessor gerealiseerd worden. Hierbij wordt deze signaalprocessor door geschikte software gestuurd.
In Fig. 6 zijn de vijf referentieomhullenden die gebruikt worden voor de sub-banden die gerepresenteerd worden door vier waarden getekend. De referentieomhullende worden gerepresenteerd door de waarden Yk, i waarbij k het volgnummer van de referentieomhullende is en i een volgnummer van de betreffende waarde die de referentieomhullende mede definieert. Uit experimenten is gebleken dat niet alle referentieomhullenden even vaak voorkomen. Hiervan kan gebruik gemaakt worden om bijvoorbeeld door middel van Huffmann codering de benodigde transmissiecapaciteit voor het overdragen van de identificatiecode van de referentieomhullende te reduceren.
In Fig. 7 zijn de elf referentieomhullenden die gebruikt worden voor de sub-banden die gerepresenteerd worden door elf waarden getekend. Ook hier is uit experimenten gebleken dat niet alle referentieomhullenden even vaak voorkomen.
Er wordt opgemerkt dat het mogelijk is om additioneel aan of in plaats van vaste referentieomhullenden ook adaptieve referentieomhullenden te gebruiken die uit het te coderen sub-band signaal worden afgeleid.